Posted on — Leave a comment

NIJINSKI

We schrijven 19 januari 1919. Nijinski danst zijn laatste dans. Een benefiet voor de slachtoffers van WO I. Nijinski, in zijn laatste dans meer oorlog dan slachtoffer of god, verblijft dan al een tijdje in Sankt Moritz. Die dag, die periode, werd treffend beschreven door Arthur Japin in Vaslav. Ik herlas er de ongecensureerde Dagboeken van Nijinski door. Naar de originele geschriften die zijn (bejaarde) dochters pas in 1995 vrijgaven voor volledige publicatie. Eerder waren de dagboeken enkel beschikbaar in een bewerking door Romola Pulzsky uit 1936, toen zij fondsen verzamelde voor de verzorging van haar zwijgende echtgenoot.

De cover van het boek toont alvast 2 (spiegel)beelden van de man. Het derde beeld, het beeld dat ontbreekt, is dat van de god. De aanbeden danser. Want er zijn 3 ijdele verschijningsvormen die de dagboeken beheersen: Nijinski die onverbloemd de waarheid zegt, Nijinski die de waarheid verbloemt en Nijinski als bloem van zijn eigen waarheid.

Gelukkig is er het voorwoord van Rudy Von Dantzig, fameus danser en choreograaf. Zelf dansleverancier voor Rudolf Noerejev, bij het brede publiek na Nijinski allicht de bekendste balletdanser. Het voorwoord schetst krachtig het heftige levensverloop van Nijinski, wat helpt om de 3 verschijningvormen enigszins te onderscheiden.

Het helpt om te zien dat Nijinski voortdurend een aantal zaken lijkt te willen wegwerken, wegmoffelt achter het excuus van god. Een vreemde vorm van schuldgevoel over roem, geld, aanzien. Alsof hij het niet had. Andere terugkerende thema’s zijn het (opkomend) socialisme, de bolsjevieken, vlees eten (bij voorkeur niet), Tolstoij en Dostojevski, politieke namen (uit het tijdschrift dat hij vermeldt?), zijn Pools-Russische roots. Nijinski vertelt meermaals van de afgrond waar hij net niet in viel dankzij de takken van een ongeziene boom. Doorlopend insinueert hij geen woorden nodig te hebben om mensen te horen. Want hij kijkt in hun ziel. Hij bezit, zo begrijpen we, een ongesproken voelen dat zorgt voor een verstaan zonder taal, over (zelfs vreemde) talen heen.

Ik ben geen revolver. Ik ben God. Ik ben liefde. Ik wil de dood van het verstand.

Nijinski schreef op korte tijd drie schriften vol, waarvan het laatste aanvangt op 27 februari 1919. Koortsige schrijfsels, aaneengesloten teksten, opgesloten teksten van waanzin. Vaak zijn het dus inner-mentale afrekeningen met onverwerkte frustraties. De onmacht tegenover Diaghilev. De bevrijding door Romola. De voortdurende tegenkeringen. Jij bent wijs, jij bent dom. Gemengde gevoelens tegenover zijn echtgenote, zijn schoonzus, zijn schoonmoeder-van-adel en haar Oskar. Tegenover doktor Fränkel. Hij wilde erachter komen of ik krankzinnig ben. Hij is ervan overtuigd dat ik niet helemaal in orde ben. Maar Nijinski weet dat hij (Fränkel) zelf niet in orde is door signalen zoals nerveus gedrag, roken, vlees eten, etc. Nijinski beschermt zich tegen hun dodelijke zelfzekerheid met zijn goddelijke betweterigheid. En ritmisch-dadaïstische gedichten. Maar alhoewel hij de gedaante verkiest van een prediker van Liefde, van gevoel boven denken, van overgevoelig voor gevoel, voorvoelt hij toch op dramatische wijze de dreiging, en zijn eigen ondergang.

Ik weet wat de dood is. De dood is uitgedoofd leven. Mensen die hun verstand verliezen noemt men uitgedoofd leven.

Hij voelt zich wegglijden, maar beschrijft toch treffend de samenzweringen in zijn omgeving. Lucide, zoals in zijn bespiegelingen over verleden, politiek, dans, literatuur en rede (Tolstoij, Schopenhauer, Dostojevski, Nietzsche), zijn notatiemethodieken voor dans.

Ik ben geen Schopenhauer. Ik ben Nijinski. Ik ben Nijinski, en niet Christus.

Terwijl hij zich vergelijkt met Prins Mysjkin, de (niet-)Idioot van Dostojevski, blijft hij zijn liefde uitspreken voor Romola. Zelfs (letterlijk) op de vooravond van zijn vertrek naar Zürich, onder het vermoeden in een gekkenhuis te zullen worden gestoken. Wat uiteindelijk ook gebeurd is. Hoe gruwelijk kan het zijn? Hem wordt gevraagd afscheid te nemen van Kyra (maar dat ze hem nooit in de steek zullen laten) en toch stralen zijn schrijfsels daarover rust uit. Als hij zijn manuscripten, zijn waarheid, maar kan achterlaten. Waarna hij echt in zichzelf kan verdwijnen. En zijn gevoeligheden, zijn artisticiteit, met hem. Onkwetsbaar. En het moet gezegd, Romola heeft hem nooit in de steek gelaten.

Compulsieve neigingen, naar ‘t schijnt, die je zowel bij schizofrenen als bij religieuzen aantreft. Hoe godswonderlijk komen ze hier samen in 1 persoon. De god met de kleine hoofdletter, want Diaghilev is met hoofdletter. God als finaal excuus om aan de wereld van ongevoeligen te ontsnappen.

Ik was net als een paard dat met de knoet gedwongen wordt een zware last te trekken. Ik heb voerlui gezien die paarden doodranselden, omdat ze niet begrepen dat het paard geen kracht meer had.

Hier lijkt Nijinski zelf de link met Nietzsche te leggen. Een thema dat ook Arthur Japin in zijn Vaslav uitdiept via Nijinski’s bediende, Peter.

Ik vraag hulp en geen stoornis. Ik ben geen stoornis, ik ben hulp. Ik vertrek zo dadelijk…

We zijn begin maart 1919. Ultiem aan die ene afgrond aanbeland waar god dan toch geen boom met takken had geplaatst waar zijn danser zich aan had kunnen redden.

Posted on — Leave a comment

Zeven Zinnen Zo Gezegd

Dimitri Verhulst schreef ter illustratie en overpeinzing een verhaal bij elk van de zeven laatste zinnen die de gekruisigde aan het kruis uitsprak volgens één of andere vorm van testament.
De inspiratie werd hem aangereikt door het Ensor Strijkkwartet en hun uitvoering van Die Sieben Letzten Worte van Joseph Haydn. Het geheel werd parelachtig gebundeld in een lees- en luisterboek met de bespiegelingen van Verhulst, zowel geschreven als gesproken, en de muziekstukken door Ensor, zowel geschreven (partituren) als uitgevoerd.

L’introduzione

In 1786 -de altaren waren nog zonder dwaal- zag Cádiz de première van Joseph Haydns Die Sieben Letzten Worte Unseres Erlösers Am Kreuze.

Pater, dimitte illis, quia nesciunt, quid faciunt
Vader, vergeef hen, want zij weten niet wat zij doen

Vergeven? Zoals.. vergiftigen? Dat wel. Want die smeerlap, moordenaar en verkrachter van Rinus’ kind, wist maar al te goed wat hij deed.

Amen dico tibi: Hodie mecum eris in Paradiso
Voorwaar ik zeg u: heden nog zult gij bij me zijn in het paradijs

Omar is Hotel Problemski voorbij en staart naar de ijskoude zee van Zeebrugge. Hopende dat hij vanavond nog in het paradijs zal zijn. Zolang hij de container naar Londen maar vindt en… overleeft.

Mulier ecce filius tuus
Vrouw, ziedaar uw zoon

Thuis heeft Martha alles klaar voor de ontvangst van haar zoon. Als hij na het kamp ook de trein maar overleeft, zoals die andere wandelende skeletten. Morgen misschien, op de volgende trein.

Deus meus, Deus meus, utquid dereliquisti me?
Mijn god, mijn god, waarom hebt gij mij verlaten?

De avond van 11 februari 1983, een vrijdag, viel de hemel op de schedel van mijn vader. Ze was er vanonder, en had de zoon meegepakt. De teef.

Sitio
Ik heb dorst

Rosa, Rozeken, zijn meisje van 80 met kanker mag 24 uur niet eten of drinken na haar operatie. En als ze dorst heeft?

Consummatum est
Het is volbracht!

Een slecht leven was dat niet. Van de overblijver. De schrijver.
Maar zijn tijd is op. Het is volbracht. En hij is bang.

In manus tuas Domine, commendo spiritum meum
Vader, in uw handen beveel ik mijn geest

Zolang zij niemand het bevel geeft de stekker uit te trekken, zal hij er zijn. Straks dus niet meer. Volgens de volmacht van hun huwelijk.

Il terremoto

Kent u die mop van de homofiele olifant?

Posted on — Leave a comment

Naar geen pijpen gedanst

Ik heb vanuit een ongelooflijke honger en met erg veel gretigheid Vaslav gelezen, de roman van Arthur Japin over het goddelijke, vorige-eeuwse danswonder Nijinski. Hongerig was ik (1) naar nieuw werk van Japin nadat zijn Een Schitterend Gebrek me zeer bevallen was. Hongerig was ik (2) omdat ik enige jaren geleden “Nijinski” heb gelezen, zijn dagboeken zoals ze ongecensureerd waren vrijgegegeven door zijn dochter. In Vaslav komen drie vertellers aan het woord. We volgen hen grotendeels tijdens die ene noodlottige, na-oorlogse dag, 19 januari 1919. De dag dat het kleine paardje, moegestreden, stopte met dansen. Door hun ogen zien we het leven van Nijinski, zoals het was, is en nooit meer zal zijn.

Peter is de lokale bediende van Nijinksi in Sankt Moritz. Waar meneer terechtkwam nadat hij afstand nam van de wereld. Peter verbaast zich voortdurend. Door de gemoedelijke houding van meneer tegenover een bediende, diens onwereldse onbeholpenheid, de wereldse verhalen uit meneer’s vorige leven. Hij is ook de eerste die het verval opmerkt van de geest van de danser. Omdat hij het al eens meemaakte. Bij dat andere, echte genie, professor Nietzsche. En altijd maar op dat uurwerk kijken.

Het verhaal van Peter loopt over in dat van Sergej Pavlovitsj, Nijinski’s grote ontdekker en minnaar. Diaghilev. Eigenaar en bezieler van Les Ballets Russes. In de steek gelaten door Vaslav voor… een vrouw. Pulszky Romola -de derde vertelster- baande zich geduldig een weg tot bij de sterdanser. Die niet alleen met haar huwde maar er ook een kind bij kreeg. De onmacht van Diaghilev, Vaslav was zijn grootste creatie èn zijn grootste mislukking. Maar nu heeft het serpent van een moeder van Romola net hèm een uitnodiging bezorgd voor Nijinski’s oorlogsdans.

De doorlooptijd van het boek is… 1 dag. Maar naadloos wordt door de 3 vertellers de volledige levensloop van Nijinski in beeld gebracht, via flashbacks, mijmeringen en gedagdroom. Een vertelmatig hoogstandje. Maar echt aangrijpen deed het boek me pas bij het verhaal van Romola over hun oorlogsjaren, in Hongarije. Na de lange jaren reeds van Vaslav’s stilzwijgen, inzinkingen, zijn opnames die hem alleen maar verder doen wegzinken. De vreselijke tussenkomsten van haar moeder ook.

Enige gelijkenissen met Een Schitterend Gebrek zijn Venetië, de prachtige schets van romantiek beleefd in harten, het complexe effect van die romantiek ondervonden in levens. Maar de diepgang is toch net dat beetje minder. De fascinatie en enthousiasme voor het onderwerp lijken me wat voorrang te hebben gekregen. Maar in het hoofd kijken van de voor eeuwig zwijgende Nijinski blijkt toch moeilijker dan bij de voor eeuwig gebrandmerkte vrouwenveroveraar Casanova. Net wat gebalder had niet misstaan, alhoewel het mij persoonlijk niet stoorde. Vanwege mijn fascinatie en enthousiasme voor het onderwerp allicht.

Als u me nu wil excuseren, ik wil de dagboeken herlezen. De woorden van lettermeester Japin afwegen aan de woorden van de dansmeester zelf…

Dancing on hallowed grounds / Dancing Nyjinsky style (Bauhaus – Dancing)
I’m a muscle in plastic / Nyjinsky’s bad move
(Bauhaus – Muscle in plastic)

Posted on — Leave a comment

De tocht van een olifant

Op bezoek in Salzburg (zoals verwoord in het voorwoord) ontdekte José Saramago een reeks figuurtjes die een tocht voorstelden, een tocht die in 1551 aanving in Portugal, thuisland van. Prikkels genoeg voor wat opzoekwerk en de roman De Tocht Van Een Olifant.

Het is het verhaal van de olifant Salomon en zijn begeleider (‘kornak’) Subhro, later ook gekend als Soliman en (in godsnaam) … Fritz. Zij worden door de Portugese koning Jan III, en zijn echtgenote Catharina van Oostenrijk, aan neef Maximiliaan geschonken, schoonzoon van keizer Karel V. Niet onbelangrijk qua relatie, zeker niet als je het gevoel hebt nog iets goed te moeten maken qua geschenk van 5 jaar eerder. En toch nog een Indische olifant op overschot hebt staan. Waardoor zij bedoelde tocht moeten ondernemen, van een afgelegen Portugees gehucht over stenige, katholieke wegen naar de grens met Spanje, en verder naar Valladolid, en weer op weg naar Wenen, over zee en door de bergen.

De Tocht Van Een Olifant heeft de nodige kenmerken van een gedegen Saramago: de lichte spot, de punctuaties en ietwat apart (!) gebruik van hoofdletters en andere leestekens, de schrijver die doorheen het geschrijf zijn overpeinzingen met de lezer deelt (en in dit geval ook deelachtig maakt aan het verrichte opzoekwerk), het zachte pessimisme. Het beschrijft met veel humor de hogere klassen, de beslissingen (meestal in bed) van koninklijke oorsprong, de protserige hofhouding van een koninklijk hof, het gepaai en gedraai, de militaire scherpslijperij.

Maar in vergelijking met de andere werken van Saramago, zij het de historische verdraaiingen of de modernistische ontsporingen (de 2 grote lijnen in zijn oeuvre), mist het spanning, reliëf, een ontknoping. Heel even hield ik mijn hart vast, bij de ontmoeting van de 2 militaire cohortes in Figueira de Castelo Rodrigo. En aangrijpend wordt het pas echt, maar even maar, waar de tocht door de sneeuw moet.

Posted on — 3 Comments

Twintig onvoltooide jaren later

Ik herinner me -het was de tijd van onze boekenwinkel (1996)- de opwinding van een nieuwe Claus, De Geruchten. Met Onvoltooid Verleden breidde hij daar een vervolg aan. Niet vies van een uitdaging schreef hij dit vervolg als een dagelijks feuilleton in de dagelijkse krant De Morgen. Weet niet of ik dat toen ook al ‘mijn krant’ noemde.

Heden ten dage enkel nog onder de geünificeerde titel De Geruchten.

In Onvoltooid Verleden geeft Hugo Claus het woord aan Noël Catrijsse, broer van de niet betreurde René Catrijsse (uiteindelijk dus minder herboren dan beoogd), 20 jaar later. Simpele Noël, zotte Pollo, die wat te veel van zijn verstand verloor bij een val met de tandem van Alma-de-moeder, Alma-de-zwarte. Triestige Noël die het uiteindelijk moest stellen met Alice Rombouts, zus van, omdat Julia er van onderdoor was met René. Een lang gesprek is het, met een gepensioneerde ex-commissaris, minder geheimzinnig dan aangegeven staat op de achterflap.

Het wordt wat minder gezellig als het gesprek niet echt vrijblijvend blijkt, net als de locatie. Noël vertelt van leven (zonder Alice intussen) en werk (bij kantoorboekhandel Felix). Hoe het zijn voormalige collega Patrick Dekerpel vergaat, verdacht van verkeerde contacten met te jonge meisjes (type Flora Demoor). De erfenis van de Alegemse hoerenmadam Camilla (van de bar Tricky) en de verschijning van Judith, dochter van Camilla’s belangrijkste troefkaart Nedjma, worden vernuftige draden die leiden naar zijn vermiste broer en het web van De Geruchten. Tot de draden zo intens opspannen, het verhaal ontploft, en beide boekdelen innig samenklonteren. En het niet ophoudt met 1 moord. Of 1 vader.

Natuurlijk heeft Claus dit vervolg, een prachtige krimi, op ingenieuze wijze verweven in het eerste boekdeel. Zo ingenieus dat het tweede op zich kan gelezen worden. Want de minder evidente puzzelstukjes, komen op hun plaats door de diepere lagen van je verbeelding.

Claus kreeg terecht de Libris Literatuur Prijs (1997) voor deze beklijvende roman. Het schetst mits een kleine sprong op een beklijvende wijze de patronen van 2 samenlevingen. Tijdloos tegelijk. De psychologie van een dorp, van mensen, van een samen-leving. De geest van een ontaardde. Hugo Claus kent het, maar is het niet. Verdiend applaus voor de meester.

Posted on — Leave a comment

De Geruchten gaan dat het een goed boek is

Ik herinner me -het was de tijd van onze boekenwinkel (1996)- de opwinding van een nieuwe Claus, De Geruchten. Later breidde hij daar nog een vervolg aan, Onvoltooid Verleden. Niet vies van een uitdaging schreef hij dit vervolg als een dagelijks feuilleton in de dagelijkse krant De Morgen. Weet niet of ik dat toen ook al ‘mijn krant’ noemde.

Heden ten dage enkel nog verkrijgbaar als combinatie onder de geünificeerde titel De Geruchten.

Totaal onverwacht en midden in de nacht staat René Catrijsse thuis. Vanuit de Kongo terug naar het Vlaamse Vlaanderen. Verborgen in de nacht, maar niets blijft ongeweten. Al zeker niet de terugkomst van deze verloren gewenste zoon. En aan een razend tempo komen ze. De Geruchten. Vanuit dagboekperspectief worden ze ons verteld. Genaamd en onbeschaamd, de eigenaars van de gedachten en hun aandeel in het verleden. Zeker is dat René en zijn ex-wapenbroeder Charlie nog een rekening open hebben staan met hun voormalige legerkapitein, de Kap.

Tot daar zijn De Plagen. Smeerlapperij alom. In de geesten, met de lichamen, in den oorlog en in de Kongo. En oude bekenden elkaar terug opzoeken. Ex-geliefden ter bescherming van hun nieuwe geliefden. Schoolmeesters en andere vermeende notabelen, de zussen Rombouts, keuterboeren, E.H. allerhande, Hèm. Vanop de eerste rij te beleven door de ogen van Wij van café De Doofpot.

Claus beschrijft in deze met de Libris Literatuur Prijs beloonde (1997) roman op een beklijvende wijze het beklemmende web van een samenleving. In een tijdperk (vroege jaren ’60) en tijdloos. Ontrolt de psychologie van een dorp. In een schitterende volkstaal. Met schwung en zwierigheid. Toont hoe zijn bewoners er wel, of net niet, in slagen te ontsnappen. Tot en met een wanhopige terugkeer. Die gedoemd was om te mislukken. Allicht. Hugo Claus kent het, maar is het niet. Verdiend applaus voor de meester.

Posted on — Leave a comment

Een ezel en een aap op een 20e-eeuwse overhemd

Yann Martel begint ook de opvolger van het machtige Leven Van Pi met een schrijver in twijfel. Een schrijver die de opvolger van zijn vorig boek, een eclatant succes, afgewezen ziet door een comité beterweteraars van uitgeverszijde. Weg ambitie van een roman+essay dubbelboek (dubbel begin, geen einde). Het begin van een vlucht naar een vreemde stad naar het einde in een dierenfabel, en een geschokte lezer in verwarring.

Centraal staat een twintigste-eeuwse beul die hoopt op een verlossing van middel-eeuwse allure door de verdierlijking van de afgeslachte en gemartelde medemens naar het voorbeeld van Julianus de Gastvrije. Met de gevluchte successchrijver in de rol van hedendaagse Flaubert wil de beul zich vrijspreken mits een beklemmend toneelstuk. Maar zijn ziel raakt niet getaxidermeerd omdat de zoekgeraakte schrijver net op tijd het mes ziet. Net voor de poorten van het Goddelijke Koninkrijk, zeg maar. Maar lang na De Verschrikkingen.

Oh ja, de titel is Beatrice en Vergilius. Een ezel en een aap op een gestreept hemd als bühne. Een meerlagig werk dat van De Goddelijke Komedie over de grenzen van autobiografie en fictie naar de holocaust grijpt. Door de ogen van een schrijver die het, na een ongelooflijk succesboek, even niet meer weet. Maar een bizar stukje fictie schrijft. Spelletjes Voor Gustav is geen essay, geen verhaal, geen gedicht en zeker geen dubbelboek. Een pil die je slikt om je geheugen niet te wissen (Spel Twaalf).

Spel Negen: Na afloop, als het allemaal voorbij is, kom je God tegen.
Wat zeg je tegen God?

Posted on — Leave a comment

De schoonheid van het onbekende verhaal

Met Het Verhaal Van Het Onbekende Eiland werd in 2000 een charmante mini-novelle van de intussen betreurde José Saramago vertaald. Beperkt verkrijgbaar want enkel voor de Nederlandse boekhandels met een *) heb ik het toch maar lekker.

Het is het verhaal van een would-be ontdekkingsreiziger die aan een echte koning een boot vraagt. En krijgt. Om vervolgens het onbekende eiland te gaan zoeken dat nog onbekend is net omdat het niet bekend is. En als gezelschap krijgt de poetsvrouw van de koning.

Het is aangenaam, dromerig, drijft de spot met genoemde monarch, is licht verterend filosofisch en bestaat uit die typische Saramago-zinsbouw (met dank aan getrouwe vertaler Harrie Lemmens). Van mensen en schepen en mensen op schepen die op zoek zijn. En zichzelf nog bijlange niet gevonden hebben.

Tip: nog te krijgen, maar enkel als digitaal boek.

Posted on — Leave a comment

Wedergeboorte van een krant

Schrap Me is de eerste bundel stiftgedichten van krantenman Dimitri Antonissen. Poëzie (niet: gedachte, feest, dada, etc.) die ontstaat door de niet-betekenisvolle woorden op volwaardig gepubliceerde krantenpagina’s genadeloos te… schrappen, weg te stiften.

Het resultaat oogt expressonistisch. Ritmische typografie. Beetje dada. Toch. Maar met meer betekenis dan dada verdragen kan. En de gedichten zouden ook overeind staan als ze uit geschrijf waren geboren, niet enkel restant waren van geschrap.

Natuurlijk mis je soms dat ene woord. Voor een betere verbinding, een net iets betere opbouw. Maar als de krant dat ene woord nu net niet voorziet? Kniesoor die daar over valt. Voor het overige is het resultaat van de zwarte stift grappig, ontroerend, verrassend oprecht.

Maar occasioneel verliest de schrapper me. Is het witte overblijfsel me net te licht. Wil ik meer ‘body’. Waarom niet meerdere krantenpagina’s 1 gedicht laten vormen? Een hele krant? Ambitie! Niet een gedicht uitgehouwen uit een muur van letters, maar uit een huis.

Kniesoor die daar over valt. Schrap me is zeker de retteketet waard.

Posted on — 1 Comment

Nietzsch Nieuwzsch onder de Zschnor

Vol enthousiasme kocht ik de strip Nietzsche – Vrijheid Scheppen, de door Maximilien Le Roy verstripte biografie van Michel Onfray. Het enthousiasme bleek overdreven. Te wijten aan enige voorkennis?

Het boek behandelt op zich netjes leven, invloeden en werk van deze immorele goddoder. De muziek, zijn vader-predikant, zijn complexe verhouding met het fenomeen ‘vrouw’. Nog steeds wat minder bekend, en alleen al daarom terecht, wordt zijn syfillis-aandoening in beeld gebracht.

De tekstballonnen bevatten echter nogal wat expliciete verwoordingen door Nietzsche, die enkel tot doel lijken te hebben om enkele waanideeën te ontkrachten. Terwijl het toch al wel aanvaarde, algemene kennis is dat Nietzche geen anti-semiet was (integendeel zelfs). Goed, het leidt dan weer terecht naar de geschiedvervalsing door zuslief.

Het geval Wagner en zijn vreemde relatie met Lou Salomé komen aan  bod. De meeste van zijn boektitels worden verwerkt, maar je moet ze al kennen om ze te herkennen. Minder terecht vind ik de klakkeloze weergave van de fabel van het mishandelde paard, het begin van zijn einde. Hier moet je de relatie met syfillis dan maar vermoeden, zeker?

Kortom, het is een verdienstelijke poging, maar ik vrees dat zowel de persoon, zijn opvattingen, zijn werken en zijn leven net wat te complex zijn om te verstrippen. Naar mijn mening zitten er enkele clichés te veel in. En de gestripte stijl is niet de mijne. Minder dan sober.