Posted on Leave a comment

Geen Verlosser, Geen Verlossing

In De Intrede Van Christus In Brussel brengt Dimitri Verhulst het verhaal van de Verlosser die komt, Hemzelve, naar Brussel nog wel. En Verhulst meent het. Want het was op ‘t nieuws. Alhoewel dat niet wegneemt dat het weer belangrijker is (geen regen voor een keer). Of eigentijdse beschouwingen over ‘t hedendaagse van de lokale wereld waarnaar Hij afdalen zal. De ik-verteller deelt met ons zijn messcherpe analyse van den Belgiek, 2- of meertaligheid, Maria die vereerd wordt waar ze verschijnt (en dat is meer dan je denken zou); de futiliteit van een koe in Brussel tegenover de nalatige en misbruikende kerk (jawel, die van Hem). En de bredere geschiedenis, die van die godverdomse bol, doet de verteller beseffen deel te zijn van een verloren generatie. Maar kijk, geleidelijk overwinnen hij en de bevolking hun apathie en beginnen te beseffen; de intrede van Christus staat gepland voor den eenentwintigste juli. De nationale feestdag. En het gaat door.

De aankondiging van de Komst valt samen met de komst van de jaarlijkse kermis, en de stad beleeft een ingrijpende renaissance. De stad herleeft, en herkleurt in het aanschijn van de verschijning van de Almachtige. Toeschouwers maken zich klaar, een organisatiecomité organiseert, een route dient uitgestippeld, een welkomstwoord geschreven. Om taalkundige redenen (kennis van het Aramees) zal de Godenzoon begeleid moeten worden door het soort uitgestotene waar Hij een zwak voor heeft, een asielzoekster, meisje nog, kind nog.

In zijn rijke en zinnelijke taal, doordrenkt van cynisme weliswaar, dissecteert Dimitri Verhulst de wereld, de maatschappij, die Hij bezoeken zal. In één gulzige teug heb ik me gelaafd aan de woorden- en gedachtenstroom van Verhulst, dit boek in 14 goddelijke doch bangelijk groteske staties. Ik was blij dat de ‘ik’ geen uitstaans heeft met de levende Verhulst zelve, want dat is de reden waarom ik me zijn De Laatste Liefde Van Mijn Moeder niet aanschafte. Dat was trouwens de enige niet-aanschaffing in een hele reeks, een reeks waar dhr Verhulst bij aanschaf van deze intrede erg geniepig de novelle Monoloog Van Iemand Die Het Gewoon Werd Tegen Zichzelf Te Praten aan toegevoegd bleek te hebben begin 2011. Geniepig, want zonder dat ik het wist.

In De Intrede Van Christus In Brussel verzamelt de dolle mensenzee van Ensor zich tussen de terloopse bespiegelingen van de ‘ik’ over media, gerecht, vluchtigheid, stakingen, regeringsvormingen en regeringsvormen, of futiliteiten als de onverwachte kennismaking met een buurman, de onverwachte biecht van een moord ook. Het wordt een optocht van flagellerende zondaars, onbeantwoorde wanhoopsdaden van godsvrezenden. Met zijn fantasie en zijn pen is dhr. Dimitri Verhulst niet te schijterig om als schrijvende god een bevlogen maatschappijsatire te produceren en zo een volgend klein meesterwerk aan zijn reeds indrukwekkende lijst schrijfsels toe te voegen.

Posted on Leave a comment

En de midvoor, hij scoorde (ook in boeken)

Ik heb Jan Mulder nooit in het echt weten voetballen. Daarvoor ben (was) ik te jong. Hij dus te oud?

Het vormde geen beletsel om intens te genieten van zijn boek Chez Stans, waarin hij teder terugdenkt aan zijn overgang naar en 7-jarig verblijf bij Sporting Club Anderlecht. Centraal staan echter vooral de liefdevolle herinneringen die hij ophaalt, aan het kleurrijke en immer gezellige Brussel, de gemoedelijkheid, de kleurrijke personages, de specifieke lokaties, de autos, de vrouwen en… het voetbal.

In de eerste helft van Chez Stans speelt Jan mooie één-tweetjes uit tussen heden en verleden, Winschoten en Brussel. Later dribbelt de voetballer die hij was verbeten tegen de schrijver die hij werd. Hij (maar welke hij?) zou nochtans beter moeten weten. Mooiprater die hij was en is. Hij legt vaak een bochtig parcours af, brengt zijn lezer in de war met weer een dribbel, een draaibeweging die je even doet zoeken naar het juiste zicht op de situatie, op wie er spreekt, waar die verteller zich bevindt. Maar ik weet dus niet of dat ook zijn typische voetbalstijl was. Wegens te jong. Hij te oud? Erg opvallend is alleszins de openheid waarmee de aimabele heer spreekt over de romantiek in zijn voormalig voetballersbestaan, de vele liefdes, groot, klein, kort, lang, onverteerd, soms ongeconsumeerd, soms nabij, soms veraf. Voorbijgaand, zoals blessures, groot en klein.

Opvallende momenten, hilarisch of vertederend, zijn er in overvloed. Ik genoot erg van de verplaatsingen van het verre Winschoten over Breda, Wuustwezel, Antwerpen naar het geheuvelde Brussel, langs het paleis. Datzelfde paleis waar hij afsprak met een Nederlandse bondscoach, net op tijd om diens arrestatie te kunnen voorkomen. Of de geboorte van zijn zoon, Youri (niet: Yuri), en de liefdevolle kinderopvang die Jan en Johanna werd geboden. Prachtig is de beschrijving van de ontvangst van de notabelen van Anderlecht in zijn nederige thuis in het verre noord-Nederland, de dag dat het bedrag voor zijn aanwerving wordt meegedeeld.

Kortom, de staalharde voetbalanalyticus verschijnt hier als onderhoudend causeur, maar nog steeds scorende midvoor, een authentieke verteller die zijn taal ook prachtig doorspekt met Brussels en koetervlaams. En met de nodige, kromme voetballogica.

Aangrijpend vertelt hij van zijn noodzakelijk vertrek uit Anderlecht (zijn trots, weet u), en het afscheid van ‘zijn’ Brussel. Zou hij zich die middelvinger naar Kessler betreuren? Ik gok van niet. De overstap naar Ajax? Dat weet ik niet zeker, want uit dit boek spreekt zovele jaren later nog zoveel hunkering naar ‘zijn’ club (Anderlecht) en het Brussel van die vroege jaren 70 dat hij in Amsterdam nooit zo gelukkig kan geweest zijn. Of wel? Misschien komen we het wel te weten in een opvolger van Chez Stans.

Posted on Leave a comment

Gebroken Taal, Gebroken Verhaal

Zeggen dat DBC Pierre de kunst verstaat het absurde tot letterkundige realiteit te verheffen via wellustige kronkels van woorden, leugens en misverstanden is een understatement. Dat toonde hij in zijn debuut Vernon God Little alvast met verve aan. Het leverde hem vanuit zijn nietsland roem, faam en fans op.

Alhoewel zijn fans dus niet om een kronkeltje meer of minder mogen malen, lijkt het me nog niet zo zeker dat ze daarom ook noodzakelijk heel warm werden van de opvolger, Ludmila’s Gebroken Engels.

Daarin gebruikt DBC zijn uitgebreide taalpallet om zowaar nog een hele stap verder te gaan, m.i. tot op het niveau van (bewuste?) ongeloofwaardigheid. Misschien wilde hij testen of gedrukte woorden werkelijk absurdistan onze huisgeesten kunnen binnenloodsen?

DBC weeft 2 verhalen door en (uiteindelijk) in elkaar.

Met het verhaal van het ontluikende bergmeisje Ludmila maakt hij de post-Sovjet dagen tastbaar. Een tijdperk van nieuwe republieken die geteisterd worden door nieuw-nationalismen, burgeropstanden, mensverdrukking en staatscorruptie. In dialogen van Russisch gevloek en barse onvriendelijkheid brengt hij een ogenschijnlijk absurde samenhang van gebeurtenissen die bij nader inzien wel eens een rauwe realiteit zouden kunnen voorstellen. Rauw zoals realiteiten zijn. Zo gek is misschien dat woordig gekronkel nog niet? Te gek voor woorden, dat wel, maar het samenleven in een barre, koude hut omgeven door sneeuw, machinegeweerkogels en corrupte ambtenaren wordt wel uitzonderlijk knap tot leven gebracht. De barbaarse omstandigheden knagen en het drankmisbruik, en al zijn nare gevolgen, dringen hard door.

Het tweede verhaal speelt in burgerlijk Engeland. Een Engeland dat zou leven onder de druk van terreur, alhoewel dat weinig voelbaar is. We krijgen het verhaal voorgeschoteld van 2 eilandbewoners die de burgerlijkheid ervan erg bewonderen. En ze zouden er ook graag aan deelnemen. Dat is minder eenvoudig dan het klinkt, want Blair en Gordon (‘Bunny’, ‘Buns’) Heath zijn een siamese tweeling. Zij overleefden hoogst uitzonderlijk hun geboorte, maar wegens verstoting door hun ouders eindigden ze in een instelling. Nu ja, eindigen. Na 33 jaar, en onder groeiende druk van privatisering, worden ze niet alleen alsnog gescheiden maar worden ze ook apart-samen Londen in gegooid.

In dialogen van broederlijk gevloek en oversekste onvriendelijkheid schetst DBC de gebeurtenissen die de gescheiden broers doormaken. Het lijkt totaal uit de lucht gegrepen en in een ogenschijnlijk absurde samenhang ingebed. Niet rauw zijn ze, omdat de zin voor realiteit ontbreekt. En zo gaat het thema van de oneigenlijke uitwassen van overhaaste privatisering ook enigszins de mist in.

Ludmila zoekt de broers, maar weet het niet. De broers zoeken een fabriek, alhoewel ook weer niet die fabriek, maar vinden haar. Uiteindelijk doorlopen beide verhalen afwisselend het gekst mogelijke verhalendoolhof vooraleer ze bijzonder bloedig siamees eindigen tegen een kaukasische bergflank na een diner van gekookte geit. Om niet romantisch te eindigen. Bye bye.

Posted on Leave a comment

DBC Wie?

Einde 2003 kwam een of andere ‘nobody’ uit een nietsland van alcohol- en ander misbruik, wereldgereis en verlaten jeugd roemrucht het literatuurwereldje binnengedonderd. Hij noemde zich DBC Pierre en zijn debuutroman Vernon God Little was net uitgegeven. Nog steeds dirty, maar intussen wel clean kreeg hij zowaar de Man Booker Prize voor zijn debuut. Het prikkelde me. Het wekte mijn fascinatie. Maar tegelijk mijn argwaan. En dus bleef het bij fascinatie.

Pas in 2011 las ik hem. Pas met zijn derde werk, het toen net uitgegeven Licht uit in Wonderland, las ik hem. En ik was onder de indruk. DBC Pierre beheerst taal en weet met zijn taalvaardigheid bizarre werelden tot leven te brengen. Hij schrijft erg rijk, in volrond gevulde zinnen, breed en met vreemdsoortig rake beeldspraak. Hij weeft de meest bevreemdende, kronkelende verhaallijnen samen tot een mogelijke waarheid, via verbeelding, via taal.

In dit debuut wordt het hoofdpersonage in concentrische cirkels rondgeslingerd in wat de na-gebeurtenissen zijn van de schietpartij op zijn school door de persoon die nu éénmaal zijn vriend was. Elke concentrische tolbeweging brengt de waarheid meer aan het licht, alhoewel Vernon er zelf steeds verder van wegtolt. Het is een sterk staaltje vogelperspectief dat de lezer wordt geboden, terwijl de spelers zelf niet tot het doorbreken van hun ellips komen. De afstand zorgt ook voor meewarige hilariteit bij het bekijken van die crazy mallemolen van oorzaak en gevolg voor enkel burgers en leugenaars (meer is er niet). Gelukkig brengt een lekker stukje country muziek geregeld troost.

Eigenlijk schetst DBC een verschroeiend ontluisterend beeld van universeel-kleingeestige gemeenschappen en hun bewoners. De tragiek van achterklap en puberklap. Een hilarisch beeld van gescheiden ouders en moeders met rare vriendinnen. Van overhitste menigtes, dolgedraaid politiepersoneel en perverse psychiaters. En dat alles wordt beleefd door een al bij al onschuldige puber, met onschuldige puberverliefdheid (en het bijhorend verraad voor geld) tegen een groteske achtergrond van media-verwarring en reality-TV. De dood achter de rode knop.

In een magistraal einde verwordt Vernon tot zijn hoogsteigen deus ex machina en legt vlotjes alles in de plooi. Persoonlijk moest ik tijdens die eindperikelen toch al even graven in het geheugen toen daar onder de cellen de biechtvader een seriemoordenaar met een bijl bleek te zijn. Waar was ik dat ook al weer tegengekomen? Ultiem toont DBC in deze Vernon God Little al een eerste keer zijn romantische inborst, zoals hij het daarna ook doet in Licht uit in Wonderland.

Vernon Gregory Little
Vernon Geslachtsklier Little
Vernon Gucci Little
Vernon Loop-naar-de-hel Little
Vernon Godzilla Little
Vernon Gonzalez Little
Vernon God Little

Posted on Leave a comment

In bad met de vogels

Enige (vele) jaren geleden kreeg ik krantgewijs een verwijzing aangereikt naar het boek At Swim-Two-Birds van Flann O’Brien, een land- en halve tijdsgenoot van James Joyce. Daarbij werd dit als van vergelijkbare allure en branie omschreven als het werk van die rondtrekkende leraar Engels. En dat trok me aan. Dus schafte ik me het boek aan, ‘en Anglais’ weliswaar. En bleef het me vervolgens regelmatig aanlokkelijk toelachen vanuit onze boekenkast met meer on- dan gelezen werk (bepaald belangrijke kennis volgens Taled in de onzekere wereld van De Zwarte Zwaan).

Tijdens de zomer van 2011 vond ik het boek echter in een recente (2010), Nederlandstalige (her)uitgave van Atlas in boekhandel Selexyz Broese in Utrecht. Complimenten! En ging ik op vakantie eindelijk ook aan het lezen. Was ik eerder dan toch afgeschrikt door de indruk van hermetiek in combinatie met het Engels?

Weerspiegelingen

Flann O’Brien was een pseudoniem van Brian O’Nolan. Op Twee-Vogel-Wad was zijn debuut, en kreeg complimenten van Joyce (kende die dat?) terwijl diens moderne klassieken (at the time) tevens inspiratie waren voor O’Brien. Men zegt dat het de laatste roman (van een andere schrijver) was die Joyce ooit las.

Dit romanwerk is een complexe kaleidoscoop van aantekeningen, verhalen, uitreksels en allerhande over een student die meer zijn bed ziet dan de aula maar wel een boek schrijft. Het manuscript waaraan deze student en aspirant-schrijver werkt gaat over… een schrijver die een boek schrijft. De student deelt zijn manuscript, en zijn ideeën, met studenten en andere kringen. Hij vult het eigenlijke verhaal aan met mijmeringen, dagboekachtige aantekeningen en encyclopedische lijstjes en opsommingen, nietszeggende dialogen ook. Die hij niet zelden in de monden van zijn personages legt. Het werk is doorspekt met Ierse mythologie (O’Nolan was er expert in). Maar ook Ierse far-west verhalen krijgen hun plaats in de gestructureerde wirwar. En personages worden geput, zoals het hoort volgens romanpersonage en schrijver Tracy, uit een standaard voorraad van literaire personages, zodat deze niet telkens opnieuw moeten beschreven en gekend worden.

Afspiegelingen

De plaats “Twee-Vogel-Wad” is een watertje ergens aan de Shannon waar tot waanzin gedreven koningen in gevederde gedaante (Sweeney in dit geval) graag vertoeven. Dat verhaalt de oud-Ierse heldenreus Finn Mac Cool, verzonnen figuur uit groen gebonden boeken, specialisme van de schrijver in het boek.

Nog andere personages van het boek-in-het-boek gaan met het verhaal aan de haal, in een mengeling van werkelijkheden en tijdperken. Ze maken gebruik van de slaap van hun scheppende auteur om in het verzet te komen tegen de hun verhaalmatig opgelegde natuur. Ze leggen ongeoorloofde bezoekjes af, vertellen prachtige verhalen en voeren ongeschreven dialogen.

De afkeer van de personages tegenover hun schrijver culmineert in een… manuscript. Dit manuscript wordt geschreven door de boekenzoon van de schrijver. Trellis vs. Trellis als het ware. Deze schrijver werd, net als mr. Furriskey, geboren op de gezegende leeftijd van 25. Ondanks die gevorderde geboorteleeftijd is hij onbezoedeld, tenzij met het schrijverstalent van vaderlief. Maar zijn gevorderd schrijverstalent leidt bij de andere personages tot de afweging dat de betere letteren ook wel té beter kunnen zijn, en dus moet een tweede versie van het manuscript gemaakt worden. (ps. In de figuur van Jem Casey, werkmansdichter, werd dergelijke afweging ook al gemaakt.) De afweging leidt tot de conclusie dat lekker snelle moordzucht beter verteert. Een goede, doch aannemelijke plot, asjeblieft, en niet al dat overdreven gedoe. Alsof de tijd sinds 1939 (toen dit boek werd gepubliceerd) heeft stilgestaan, niet?

In elk geval, in volgende versies ontwikkelt zich een herhaling van wat koning Sweeney (Mad Sweeney, Buile Shuibhne) overkwam in de mythische vertelling door Finn Mac Cool, reus, held en oudheidkundige poëet. Wordt de oude Trellis, de verguisde schrijver die in slaap wordt gehouden ter voltrekking van de wraak van de personages, op die manier de tweede bezoeker van twee-vogel-wad? Of worden de uitgangspunten, hoog en laag, verenigd in het kwellende ingrijpen van de duivelse Pooka MacPhellimey? Een vertelling zo grotesk als de oude verhalen wordt verplaatst naar de nieuwe wereld, een wereldse wereld.

Bespiegelingen

Een boek kan meerdere, gelijkwaardige beginnen kennen. De auteur schenkt er ons in Op Twee-Vogel-Wad zomaar eventjes 3:

  • De Pooka MacPhellimey in zijn hut in het bos,
  • De geboorte van Furriskey,
  • De legendarische Finn Mac Cool met zijn verhalen.

Een boek kan aldus nog veel meer eindes kennen, die er van afhangen hoe de verhalen volgend op de veelvoudige beginnen verlopen en verstrengeld raken. Dat weet enkel de schrijver. Of in dit geval, het meervoud aan schrijvers. Zij maken het proces, niet een jury van door hen geschapen personages.

Op Twee-Vogel-Wad is doorspekt met nog meer bespiegelingen over literatuur, vanuit het perspectief van de verschillende boekschrijfpogingen die door elkaar vloeien. Het nieuwe Ierland en zijn oude mythologie komen tesamen aan bod in een -letterlijk- fantastische mengeling van stijlen en stemmen, hoog en laag, modern en oud. En O’Brien beheerst ze moeiteloos, wat behoorlijk indrukwekkend is voor wat een debuut was.

Het resultaat is een web van nonchalante satire uit 1939 dat bij mijn lezing zo’n slordige 72 jaar later bijzonder tijdloos bleek. Lichtvoetig, alhoewel van modernistisch deconstructivistische aard. Meerstemmig. Een labyrint van mythologische allures. En er zou een verfilming op komst zijn, door de volhardendheid van Brendon Gleeson die het scenario-adaptatieproces als een marteling omschreef.

ἐξίσταται γὰρ πάντ’ ἀπ’ ἀλλήλων δίχα – existatai gar pant’ ap’ allêlôn dikha – for all things change, making way for each other – want alle dingen veranderen, om plaats te maken voor elkaar

Posted on 1 Comment

Meetlatpoëzie

Naar Parijs in statig roze. ONaangekomen NOg terug in rafelgroen.

Dat is de informele ondertiteling (thema?) van mijn eerste poëziebundel:

La NOuvelle Cycluste (ONgekelderd en NOg dicht)

En ik zelfpubliceerde dit debuut via Unibook.com. Je kan er via de webshop mijn bundel kopen, en wel via deze link: http://www.unibook.com/nl/Gunther-Verheyen/La-NOuvelle-Cycluste-%28ONgekelderd-en-NOg-dicht%29

De typografie en de drukte?

Het is gewild. Het moest zo zijn. Met 1 lezing niet aan te komen. Aan mij, in mij. Terug te keren. De (meeste) gedichten zitten vol rechte lijnen en hoeken. Dat is te wijten aan de analytische lever (van het werkwoord “leven”) in mij, de overmatige denker, de ingenieur. Overgestructureerd.

Met als resultaat: kubistisch-hoekig gedoe.

M e e t l a t p o ë z i e

Swoon was zo vriendelijk om op basis van een proefbundel een gedichtje te laten inspreken door Arlekeno Anselmo en te onderbouwen met geluid, klank en beeldvormingen. Hij koos “Geheimpje van de dichter” uit. Een grappige keuze want het valt net buiten de bundel. Het bekijkt de dichter en zijn bundel van op een agnostische afstand.

Dit gedicht gaat over het dichten zelf. En ook weer niet. Als het allemaal voorbij is, de bundel gelezen, komt het zeggen dat al die voorbije woorden zichzelf niet waren, want dat er teveel verzwegen bleef. Moesten ze gesproken zijn, ze zouden zich moeten bewijzen, tonen dat ze waar zijn, en kan de dichter dat wel aan?

ps. Van deze site maakte ik met mijn Team nota bene in 2006 een eerste versie voor Peleman Industries, als Wwaow.com (“Worldwide Association of Writers”). Met de naamsverandering, naar analogie met het hoofdmerk Unibind, is de buitenkant blijkbaar hard veranderd, maar ik herken wel ‘onze’ binnenkant nog helemaal. Het ziet er allemaal wat meer flashy uit terwijl wij bewust sterk voor soberte hadden gekozen. En wij maakten zeker geen fouten in databaseverwijzingen, zoals gebeurt bij het opvragen van mijn bundel!

Posted on Leave a comment

Het Koekjesmonster

Het eerste deel van de gelijknamige trilogie, Het Goddelijke Monster, was mijn eerste kennismaking met Tom Lanoye. Een bepaald indrukwekkende kennismaking. Katrien Deschryver schoot haar man dood. Het boek is compact en breed, grappig en triest, hilarisch (de verkeerdelijke moord alleen al) en bekrompen, typerend Vlaams en dus bijna on-Vlaams. Of mogen we de actieve rol van de doden magisch-realisme noemen op z’n Belgisch, van kleifiguren van eigen bodem? Het boek las ook onredelijk vlot. Meneer Lanoye moet onwaarschijnlijk veel tijd in die gezwinde leessnelheid gestoken hebben. Toen ik hem dat zei op de infame boekenbeurs herinner ik me trouwens dat hij me vroeg dat ook eens aan de recenserende pers te willen vertellen.

In deel II, Zwarte Tranen, had de auteur zich gegeven en laten gaan. Gaf hij ook grif toe in interviews. Katrien Deschryver ontsnapte uit haar cel. Ik vond het wel sterk, maar ik was regelmatig de weg en mijn concentratie kwijt door de breedsprakerigheid. En wat te veel realiteit?

Vooraleer ik deel III las was ik dan weer verplicht de eerste twee delen te herlezen. Ik ben namelijk een slechte onthouder van gelezen boeken. Best wel lastig. Katrien Deschryver schond haar aangezicht. Boze Tongen werd een prachtige afsluiter van de trilogie en situeer ik naar volume en kwaliteit tussen de beide andere delen. In ieder geval stond daarna de trilogie mooi te pronken in onze bibliotheek, dit vertelkundig epos van België. En daarmee sluit Lanoye aan in het rijtje fantastische België-in-een-tijdperk-boeken, waartoe ik Hugo Claus reken met Het Verdriet van België, Karel Van den Broeck met Brief aan Boudewijn, maar ook Erik Vlaminck met Het Schismatieke Schrijven.

Enkele jaren later echter diende zich een buitenkans aan, onder de vorm van de trilogie onder de vorm van een koekskesdoos. Nr. 801/999. Op de metalen boekblikken voorzijde blinkt onze zonne-auteur als een goddelijke koning. Deze doos is een pareltje van vormgeving, van het reliëf in het deksel (dat koninklijke logootje!) tot het innerlijk met de kalkpapieren afdekking en de bubbelfoam bescherming van de koekskes.  Zie je trouwens ook hoe intussen de omslag van deel I was aangepast naar eenvormigheid met de andere delen?

En nu speelt de goddelijke actrice Joke Devynck het monster in de gelijknamige TV-serie, omgeven door een beestachtig goede kliek aan acteurs die de komische verstikking en menselijke machteloosheid (hoe politiek machtig of zakencijferig gewichtig de figuren ook zijn) van de boeken erg goed weergeven. Met de donkere ondertoon van meneer Daan. Waarvoor dank. Maar ik ga geen boekuitgave kopen met een omslag van de TV-serie. Dank u. Het is wel goed zo. Geweest.

Posted on Leave a comment

Door het arendsoog van De Witte Tijger

7 Opeenvolgende nachtelijke brieven schrijft Balram Halwai (‘Munna’, jongen), van de kaste der suikerbakkers, aan de president van China. Daarin legt hij op humoristische, maar tegelijk diepgravende en ontnuchterende wijze de multi-morele samenleving in India bloot. Kwestie dat de president het echte India kent, het India dat hij allicht niet te zien zal krijgen bij zijn nakende officiële bezoek. Centraal in zijn brieven staat tegelijk de bekentenis van zijn leven als moordenaar. Schrijver Aravind Adiga kreeg voor zijn debuut De Witte Tijger in 2008, toch wel een huzarenstuk, ineens de Man Booker Prize.

Balram leeft in het diepe Donker, waar hij het van beloftevolle schoolloper tot steenkoolhakker tot theehuiszwalper bracht. Hij ontsnapt aan zijn leven door een opleiding in de rijkunde. Want als chauffeur werkt hij zich binnen bij de betere kaste van zijn landheren. En hij leert. Hij leert om de geijkte brutaliteiten onder de bediendes toe te passen. Het levert hem de positie op van #1 chauffeur. Op naar het kleurrijke New Delhi.

Meer dan hij al was, is hij daar aan de voorkant bevoorrecht getuige van de corruptie, de decadentie en het misprijzen terwijl hij zelf van nature bij de achterkant hoort, achter de shopping malls, waar de chauffeurs rondhangen, waar de smerige markten zijn, en goudharige vrouwen veel geld kosten. Waar rode paan gekauwd en gespuwd wordt, en aan kruizen gekrabd. Balram zweeft voortdurend tussen beide werelden, bekent zich tot geen van beide. Onder zijn klamboe, veilig voor de kakkerlakken maar niet altijd voor de hagedissen. Uit de wanhoop van Pinky Madam, bijna de ex van zijn baas, leert hij weer. Tanden poetsen, zijn kruiskrabbende hand straffen. Hij verschaft zichzelf zelfs, mits een blank wit t-shirt met een minuscuul engels woordje, toegang tot een mall.

Munna legt met een zeker sarcasme bloot hoe er geen eenduidige moraal bestaat in zijn land. Of toch? Want wat is het verschil als een kind doodgereden wordt met een Honda City of met een Toyota Qualis? Dat de heersende, dubbelzinnige moraal leidt tot een dubbelzinnige verantwoordelijkheid? Beter dan geen verantwoordelijkheid, of een chauffeur veroordelen tot de cel alleszins. En misschien leidde Balram’s dissonante gedrag, zijn ontsnapping uit de hanenren van het Donker, dan wel tot het einde van zijn familie (17 personen?), maar neef Dahram krijgt er alvast een opvoeding in het Licht voor in de plaats.

Als je dit boek gelezen hebt, weet je wel beter dan te beginnen (ver)oordelen. En een dier dat maar eens per generatie een nieuw exemplaar voortbrengt is voorbestemd. Al is het maar om corruptie aan te wenden voor welzijn. Omdat hij het recht heeft te ontsnappen aan de eeuwige onderdrukkende dienstbaarheid, de basis van de Indische wereldeconomie. Een nieuwe naam aannemen. Als leider van een school van witte tijgers die wordt losgelaten op Bangalore.

Posted on Leave a comment

Open is soms ook gesloten

Paolo Giordano, kundig opgeleid in wiskunde en natuurkunde en lijdend aan een zekere hang naar structuur en voorspelbaarheid, wierp zich in de chaotische onzekerheid van de schrijverij. De titel en het thema van zijn debuut (2008), De Eenzaamheid Van De Priemgetallen, prikkelde mij, lijdend aan een overdreven hang naar structuur en voorspelbaarheid, sinds de verschijning. Toch kwam het pas nu op mijn verlanglijst. Na de reviews en interviews naar aanleiding van de recente (2011) verfilming.

Geheel wonderbaarlijk kwam het tot mij als mijn Valentijnsgeschenk.

Vaststelling! Zelden las ik sneller een boek. Alhoewel het verhaal niet licht is. Verklaring? Het moet licht geschreven zijn.

De Eenzaamheid Van De Priemgetallen brengt ons het voorlopige levensverhaal van 2 freaks, Alice en Mattia, verschoppelingen die vanaf hun jonge jaren hun leven in een vorm van zelfgekozen isolatie leven. En daarmee koppig doorgaan, ook nadat ze elkaar ontmoeten. Het lot van erger dan 2 priemgetallen, enkel deelbaar door 1 en zichzelf, namelijk tweelingpriemgetallen, voor eeuwig en noodzakelijk gescheiden door een tussenliggend en onoverbrugbaar even getal.

De schaduw over hen en hun omgeving kwam op jonge leeftijd. En bleef. Alice leeft in anorectische onmin met zichzelf, haar vader en de wereld nadat het misliep met dat verfoeide skieën waar haar vader haar steeds weer toe verplichtte. Mattia verkeert in een vergelijkbare, alhoewel meer zwijgende, zijnsstaat door zijn dubieuze aandeel in en zijn duale gevoel over het ontbreken van zijn zwakbegaafde tweelingzusje Michela.

De auteur schetst aan de hand van een aantal sleutelscènes het leven van Alice en Mattia, eerst apart, vervolgens samen-en-toch-apart na hun ontmoeting op puberleeftijd. Hun gesloten werelden en gesloten contacten, de onaffe relaties met de wereld, met elkaar en met zichzelf worden in een aantal sprongen in beeld gebracht. Voor steeds gesloten eindigen ze, want open is soms ook gesloten. Zeker als het over een einde gaat. De verraderlijke lichtheid van hun bestaan.

Posted on 2 Comments

Afscheid van Wonderland

DBC Pierre verscheen als een komeet in literatuurland toen hij in 2003 de Booker Prize kreeg voor zijn debuut en vervolgens alom bejubelde Vernon God Little. Heb het zelf nog niet gelezen. Maar wat reviews en interviews deden me wel naar werk #3 grijpen (tussen beide in zit nog Ludmilla’s Gebroken Engels). In dat Licht Uit In Wonderland sleurt hij de achteloze lezer mee op een hallucinogene wereldstedenreis door de ogen, het hoofd en de wereld van hoofdfiguur en neo-antikapitalist Gabriel Brockwell.

De mentaal ontspoorde reis neemt een vliegende vlucht na de vlucht van de stadsrat uit een landelijk gelegen ontwenningskliniek. Terug naar de rioolwereld van Londen gaat het, aan een exponentiële rotvaart over regenachtige wegeltjes en met de onbetrouwbare Engelse spoorwegen. Omdat de linkerman in wereldstad #1 onkiese streken uithaalde met zijn anarchistische actiegroepgenoten neemt hij de benen en het vliegtuig naar Tokio. Op zoek naar de langvervlogen vriend met wie hij een jeugd, de kokschool, maar vooral veel alcohol en cocaïne heeft gedeeld.

Daar, in wereldstad #2, blijkt alles een kwestie van vis, topwijn, slechte vis en sex in een aquarium. Maar na een dodelijke kogelvis moet de ultieme redding gezocht worden in Berlijn. Waar Gabriel een openstaande rekening heeft met vader en met jeugdige onschuld. Bij gebrek aan geld maar een overvloed aan een vader die zelfs in zijn verleden niet was wat hij pretendeerde te zijn (te hebben) moet de oplossing gelegen zijn in een gigantisch banket in wereldstad #3. Megalomaan decadent. In overeenstemming met de verleden grootsheid van Tempelhof. Dermate groots dat het nooit haalbaar kan zijn. Zeker niet gezien de actuele toestand van de vroegere zakengenoot van vaderlief. Maar ligt ergens in de wondere wereld van Wonderland toch een sleutel?

En wordt die dan tijdig gevonden? Want het licht moet echt wel uit, in Wonderland. Van de koude voeten tot het hoofd in het water. Doorgaan naar een andere wereld dan maar?

De akelig accurate beschrijvingen van de roezen (is toch mijn veronderstelling) laten bij het totaalverhaal een (compleet niet-storende) indruk na van giga metafoor voor wat de auteur zelf overkwam, toen hij zijn liederlijk leven van vaderloos drank- en druggebruik achterliet en een helle toekomsttunnel instapte. Woesj. Limbo. Nimbus. Über-limbo. In het meervoud.

Raar wel, die vaartverminderende voetnoten. Verder geen vragen of opmerkingen.