Posted on Leave a comment

Bezeten Vuur Brandt

Bezeten vuur brandt in Samizdat, de nieuwe worp van Aroma di Amore. Het album opent met het beklemmende en desoriënterende Schoenen. Even lonkt het vermoeden dat de oude heren van stand de vroegere bloedlijn van pan-europese wave-waanzin wensten door te zetten. Maar met Stront en Hunker ontploft het album in post-industriële kortklanken die de scherpte en stacatto maanzin van Wire op het album Send lijken te evoceren, de vertaling ervan maken naar lokale kleivarianten.

Steeds baadt het album in een verontustende sfeer veroorzaakt door de unieke, bijtende teksten van Elvis Peeters en zijn unieke, bijtende voordracht die perfect versmelten met de muzikale onderbouw van de companen van nu en van weleer. Soms zakt het tempo, en nemen de beats en elektronica de tripperige overhand, met krakende en andere ontstemmende uitwaaiieringen. Dan weer exploderen de neuroses van stem en gitaar in gezamenlijke zenuwuitbarstingen en drift. Opvallend hoogtepunt is de dubbele uitvoering van de korte-benen-pijn en snijdende eenzaamheid in Nu we allemaal alleen/bijeen zijn.

Alhoewel een aantal nummers qua aanpak en sfeer herinneringen aan de jaren van de zwarte jassen oproepen, is Samizdat eerder een uitspansel dat Aroma di Amore bouwt op de wegen die onze eigenste Elvis reeds insloeg met De Legende dan een louter nostalgische trip naar de oude jaren 80. Geen verloren taal. Gelukkig maar.

Omdat de heren ook live een ode brengen aan Wire, hierbij:

Posted on Leave a comment

Semper Fidelis. En een ster.

Met De Allerlaatste Caracara Ter Wereld schreef Peter Verhelst een prachtige roman vol uitgepuurde observaties en zonder overbodige woorden, maar veel werkwoordloze waarnemingen.

De schitterend aaneengeregen poëtische vaststellingen voeren ons weg van de (bewuste) bombast van Zwerm. Het verenigt de talige overtreffing van Memoires Van Een Luipaard, het vuurwerk van Tongkat, de romantiek van De Kleurenvanger en de maatschappelijkheid van… Zwerm. Het is een verhaal over de macht, de onmacht en de wezenloze kracht van verhalen, en de zinloze kwestie van het waarheidsgehalte ervan. Peter Verhelst brengt een paradijs tot leven in woorden en in zwijgen, vanuit een onmetelijk verbeeldend vermogen om ook de kleurenpracht en geluiden van de lokale fauna en flora te verlevendigen, in verhalen en verhaallijnen die op zich een paradijs vormen. Een waar bordeel van korte verhaalstoten, zacht deinende hoofdstukjes.

Een jonge, Belgische arts spoelde aan op een exotisch eiland, 15 jaar geleden, met een boot of zo, op zoek, vooraleer vrouwen uit de zee nu datzelfde doen, via vissersnetten, uit de zee of zo, en minder op zoek.  Het is een rietsuikereiland van vissers, een wat besloten gemeenschap. Het is een eiland van schaarse hoofdrolspelers; dokter Victor Duval, de priester Coriolan, een commissaris, Madame van het koffiehuis. Langzaam versmelten hun verhaallevens, vanuit de zoektocht van de dokter en de vraagtekens over zijn militaire vader.

Zo komen we uit bij Cassandra, eilanddochter, die haar geliefde verloor aan de zee, zuster en ontfermster over aangespoelde wezens. Het verleden eist een prominentere plaats op naarmate ook de hoofdstukken langer worden, en de soldaten landen. Opnieuw. Zoals het verleden. De militairen komen om de aangespoelden, vrouwen en intussen ook kinderen, te beschermen tegen zichzelf. Vrouwen en dieren uit de zee. En wie weet waar nog vandaan? En waar terug heen? Ze hebben geen tong om verhalen van een toekomst te maken. Maar ze spelen met de wind, de laatste wind die zich niet vangen laat.

Posted on 2 Comments

2012. Towards the end. It’s a beginning.

2012 is turning out a great Killing Joke year. Again. As pledger, I already downloaded the fantastic live album Down By The River. And now there’s the second album of the re-united original line-up of the band. Although the resurrected formation already produced the compelling Absolute Dissent in 2010, it seems they have truly blended all they were, are and will become on the majestic MMXII. The band keeps looking behind the wave of changes but they do not only feel the future taking shape, they help shaping it themselves. And as I understood from an interview by Jaz, that includes doing a little wardance with faith and destiny by organizing an end-of-the-world music festival by the end of MMXII in New Zealand. Who says they don’t have humour?

My first impressions were that MMXII has the philosophical fierceness of Pandemonium (1994), the political views of the highly underrated Democracy (1996), the melodic beauty of Night Time (1984) and some fuzzmetaldronepulsarbeats blasting through your brain alike Killing Joke (2003). It doesn’t have the explicit, outstretched, introspective anthems of Hosannah From The Basements Of Hell but incorporates trance and the feeling of what it means to be Killing Joke in the ever-present anger and virulent indignation found throughout their collected works.

But that won’t do to describe the richness of MMXII. The album has much variety and subtleties, and that’s being brought in by every band member; lyrics, vocals, synths, guitars, bass and drums. For the latter let’s be grateful once more for the glorious return of Big Paul! But the complete band is outstanding, clearly lifting each other up to new heights. MMXII sounds very dynamic, with its clear mix, its fade in-outs, the use of echo and backings of all sorts. It brings much joy to my heart as the sound balance shows what a great singer Jaz is, and how brilliantly Geordie masters his guitars; 2 aspects of Killing Joke that were frequently lost in the mix of previous albums in my opinion. The songs themselves don’t only swirl around Youth’s bass playing, the complete record is full of change, in rhythms, in tempo, in atmosphere and in pace. And somehow the band has managed to greatly melt their live playing urge with knob turning production demands.

MMXII mirrors a state of the world. I sure hope the world will last a bit longer than the end of 2012, so I can witness further evolutions of Killing Joke. This is rock music in a great guise; deviant, evil, melodic, driven, convincing.

The single In Cythera refers to idyllic times and charms, the lyrical theme equally reflected in the musical textures. Does it also suggest that Killing Joke aims at revitalizing their heavy, overloaded interpretation of rock music into a less severe appearance, like French painter Antoine Watteau did with old school baroque via rococo touches? Or is the desire for romanticism rather something for later, more after-world times, as the lyrics might hint at? A last goodbye to Paul Raven, the Raven King? We’ll meet again. At the greatest banquet in the world, a bottle of wine with some bread and cheese somewhere on a beach. To live like kings & queens?

Check out the video interview of Jaz Coleman on the album, and the band’s intent to respect the ancient calendars:

Posted on Leave a comment

Paaszeeland

Het paasweekend van 2012 zal herinnerd worden als het paasweekend dat we doorbrachten in Kamperland, Zeeland (Nederland). We hadden een huurhuisje geboekt in het park Beach Resort van de Roompot. Hmmm, ontbijten met zicht op haven en op de Oosterschelde. Mooie vooruitzichten. En aangezien het paasweekend was, was een weekendarrangement ook een dagje langer, dat wil zeggen tot en met maandag. Leuke gezinsbelevenis.

Op vrijdag waren we wat te vroeg al ter plaatse, en dus maakten we een kleine wandeling nadat we onze auto alvast al wel aan het huisje hadden geparkeerd. Vooraleer de sleutel af te halen en onze intrek te nemen, genoten we nog van een kleine maaltijd op het centrale terrasrestaurant. Vervolgens was er het gebruikelijke ritueel van uitladen en huisje inrichten, omgeven door een bende joelende kinderen (3 in ons geval). En kijk, de eerste avond ben ik al onmiddellijk beginnen genieten van de nieuwste Peter Verhelst, “De allerlaatste caracara ter wereld”. Die had ik me nog snel aangeschaft voor vertrek. Niet omdat ik niks anders te lezen heb overigens, maar uit pure opwinding.

De zaterdag begon (na een ontbijt) met een bezoekje aan het tropisch zwembad van het park, wat erg leuk is met 3 waterratten van kinderen. Vervolgens brachten we een leuk bezoekje aan Zierikzee, waar we ons weer eens positief verbaasden over de leuke uitstraling van de gemiddelde Nederlandse boekhandel, en ons ook een huisnummer aanschaften in blauw emaille. Langs Neeltje Jans keerden we huiswaarts om vanuit het restaurant de kitesurfers bezig te zien, en ons eraan te herinneren dat we onze vlieger hadden meegenomen.

Op zondag, paasdag, leek het even of er zich een drama ging voltrekken, aangezien er geen paashaasbezoek leek te zijn geweest. Maar allicht was het gewoon even zoeken voor de paashaas, een vriend van Koos, vooraleer hij de weg naar ons huisje had gevonden. Oef, de kinderen konden paaseieren rapen.

En, zoals het zich had laten raden de dag ervoor trokken we ook nog naar het strand. Qua wind was het niet helemaal ideaal voor de vlieger, maar we hebben wel zandkastelen kunnen maken. We sloten de dag af met een Astrid Lindgren spel, een ganzenbord met figuren uit haar boeken. En dan kon mijn pret alvast helemaal niet meer op aangezien ik niet alleen mijn verjaardagsgeschenk 2012 veel sneller ben beginnen benutten dan de voorbije jaren het geval was, maar het bestond dan ook nog eens uit een borduurwerk, van Pettson & Findus, 2 leuke zweedse figuren (enfin, een kat en zijn baas). Wow, jaren geleden lijkt het dat ik nog borduurde. En plezier dat het deed!

Op maandag was het te regenachtig voor vele buitenavonturen. Dus na een ontspannen zwembeurt in het tropisch zwemparadijs genoten we binnenshuis van de regen en lekker eten. Veel paaseieren gegeten, amai. En intussen blijven borduren en lezen (niet tegelijk weliswaar).

Op dinsdag keerden we huiswaarts met een jarige dochter. Gelukkige 2e verjaardag, Nienke!

Posted on Leave a comment

Blogbericht van een would-be schrijver die het gewoon werd niet gelezen te worden

Met Monoloog Van Iemand Die Het Gewoon Werd Tegen Zichzelf Te Praten schreef Dimitri Verhulst een roman met een ongewoon lange titel voor een al bij al korte tekst zodat we dit genoegzaam een novelle noemen. Nu, ik ken schrijfsels van vergelijkbare lengte en beperkte complexiteit die we ook ‘roman’ noemen, wat het onbelang van de definitie aangeeft. Tenzij schrijver en uitgever zich om welke reden dan ook beschermd weten door de woordkeuze voor ‘novelle’. In ieder geval, het maakt dit werk(je) daarom niet minder boeiend.

Ik meen me te herinneren dat dhr. Verhulst graag een toerke doet met de fiets, en niet gewoon om naar de bakker te rijden maar op het niveau van de echte wielerliefhebbende toerist. Het weerhoudt hem er gelukkig niet van om in deze monoloog niet de beroemde coureur centraal te stellen, maar de eigendom van de monoloog aan de Senegalese lichtekooi Seynabou te schenken. Zij is de laatste persoon op deze aardkloot die de wielrenner Jens De Gendt in leven zag (mocht hij echt bestaan hebben, dan zouden we hem misschien Frank Vandenbroucke noemen, of zo, ik zeg maar wat). Zij vindt overigens zelf ‘gazelle’ een elegantere omschrijving voor haar beroepsbezigheden, alhoewel het dat soort trots is die haar belet een officiële en legitimerende gezondheidskaart aan te schaffen.

De schrijver demonstreert dat zijn inlevingsvermogen al even flexibel is als zijn taal en moeiteloos het semi-autobiografische waar veel van zijn bekendheid mee verworven werd, overstijgt. Nu, lezers die wat vertrouwder zijn met zijn totaaloeuvre horen dit al langer te weten, natuurlijk. Met veel zin voor humor, hier en daar aangevuld met een beetje cynisme om het godenkind van de tweewieler met de voetjes op onze grond te krijgen, laat hij de gazelle de omstandigheden beschrijven waarin zij de -naar eigen zeggen- beroemde wielrenner ontmoet in een discotheek. En vervolgens vernemen we hoe zij de laatste avond en nacht van Jens beleeft, hoe zijn oprechte affectie en verontwaardiging om onrecht omslaat in nukkig schoolkindgedrag. Het is erg ontnuchterend om vanuit haar perspectief het circus rond de dood teruggevonden wielrenner beschreven te zien, diagnoses en herziene diagnoses incluis. En te vernemen wat de simpele waarheid is rond de verdwenen gsm en de vermiste geldsom van de meneer die toch wel 150.000 keer teruggevonden kan worden via Google (ik checkte net en stel vast dat het toch al teruggelopen is tot 54.600 zoekresultaten). Een geluk voor haar is dat het eten in de cel van behoorlijke kwaliteit blijkt. Wat minder leuk is dat er even, heel even maar, één nacht, hoop was op redding, op een echt zwembad. Ik vermoed dat het haar niet meer zal overkomen.

Posted on Leave a comment

Geen Verlosser, Geen Verlossing

In De Intrede Van Christus In Brussel brengt Dimitri Verhulst het verhaal van de Verlosser die komt, Hemzelve, naar Brussel nog wel. En Verhulst meent het. Want het was op ‘t nieuws. Alhoewel dat niet wegneemt dat het weer belangrijker is (geen regen voor een keer). Of eigentijdse beschouwingen over ‘t hedendaagse van de lokale wereld waarnaar Hij afdalen zal. De ik-verteller deelt met ons zijn messcherpe analyse van den Belgiek, 2- of meertaligheid, Maria die vereerd wordt waar ze verschijnt (en dat is meer dan je denken zou); de futiliteit van een koe in Brussel tegenover de nalatige en misbruikende kerk (jawel, die van Hem). En de bredere geschiedenis, die van die godverdomse bol, doet de verteller beseffen deel te zijn van een verloren generatie. Maar kijk, geleidelijk overwinnen hij en de bevolking hun apathie en beginnen te beseffen; de intrede van Christus staat gepland voor den eenentwintigste juli. De nationale feestdag. En het gaat door.

De aankondiging van de Komst valt samen met de komst van de jaarlijkse kermis, en de stad beleeft een ingrijpende renaissance. De stad herleeft, en herkleurt in het aanschijn van de verschijning van de Almachtige. Toeschouwers maken zich klaar, een organisatiecomité organiseert, een route dient uitgestippeld, een welkomstwoord geschreven. Om taalkundige redenen (kennis van het Aramees) zal de Godenzoon begeleid moeten worden door het soort uitgestotene waar Hij een zwak voor heeft, een asielzoekster, meisje nog, kind nog.

In zijn rijke en zinnelijke taal, doordrenkt van cynisme weliswaar, dissecteert Dimitri Verhulst de wereld, de maatschappij, die Hij bezoeken zal. In één gulzige teug heb ik me gelaafd aan de woorden- en gedachtenstroom van Verhulst, dit boek in 14 goddelijke doch bangelijk groteske staties. Ik was blij dat de ‘ik’ geen uitstaans heeft met de levende Verhulst zelve, want dat is de reden waarom ik me zijn De Laatste Liefde Van Mijn Moeder niet aanschafte. Dat was trouwens de enige niet-aanschaffing in een hele reeks, een reeks waar dhr Verhulst bij aanschaf van deze intrede erg geniepig de novelle Monoloog Van Iemand Die Het Gewoon Werd Tegen Zichzelf Te Praten aan toegevoegd bleek te hebben begin 2011. Geniepig, want zonder dat ik het wist.

In De Intrede Van Christus In Brussel verzamelt de dolle mensenzee van Ensor zich tussen de terloopse bespiegelingen van de ‘ik’ over media, gerecht, vluchtigheid, stakingen, regeringsvormingen en regeringsvormen, of futiliteiten als de onverwachte kennismaking met een buurman, de onverwachte biecht van een moord ook. Het wordt een optocht van flagellerende zondaars, onbeantwoorde wanhoopsdaden van godsvrezenden. Met zijn fantasie en zijn pen is dhr. Dimitri Verhulst niet te schijterig om als schrijvende god een bevlogen maatschappijsatire te produceren en zo een volgend klein meesterwerk aan zijn reeds indrukwekkende lijst schrijfsels toe te voegen.

Posted on Leave a comment

Legendarisch Hedendaags

Met Hedendaagse Legendes werden 3 klassiekers in het stripgenre gebundeld. Pierre Christin schreef in de periode 1975-1977 3 fantastische verhalen die door Enki Bilal werden geïllustreerd. En met ‘fantastisch’ refereer ik niet enkel aan de kwaliteit maar ook aan de inhoudelijke verhalen. Ze brengen gebeurtenissen die zich tegelijk in en buiten onze reële werkelijkheid bevinden, maar we worden quasi argeloos meegenomen op 3 reizen door het uitzonderlijke met een sci-fi tintje.

In Het Dorpje Dat Ging Vliegen (1) beleven we de luchtreis van een volledig dorp. De bewoners genieten bepaald van hun uitstapje dat hen voor één keer onttrekt aan de zware aarde. Ondertussen breken de militaire onderzoekers in het nabijgelegen experimenteel onderzoekscentrum zich het hoofd over het waarom de effecten van het onstopbaar experiment met de zwaartekracht zich vooral buiten het proefgebied lijken te manifesteren. Terwijl de dorpelingen zich vermaken, doen zich griezelig psychomorfische veranderingen voor bij de militairen. Allicht interessant studiemateriaal.

De legendarische figuur 50/22B (ook wel: Guesdin, Guidoni, El Ciego), een raddraaier in hart en nieren, die als intermediar overdrager van energie eerder de zwaartekracht hielp overwinnen, bezoekt in Het Schip Van Steen (2) een ruraal dorpje aan zee dat bedreigd wordt door megalomane projectontwikkelaars. Samen met de lokale gemeenschap, zijn eeuwenoude tovenaar en alle historische dorpsbewoners wordt een indrukwekkend ontsnappingsplan in werking gesteld.

In De Onbestaande Stad (3) genoot ik het meest van de onverwachte omkering van dromen en idealen. In het begin worden we wreedaardig opgewekt uit utopiaans gedroom door de werkelijkheid van een aanslepende staking in een lokale fabriek. Als de eigenaar, beheerder en dominator van de fabriek (en het stadje) voortijdig het leven loslaat, start een merkwaardige sequentie aan gebeurtenissen. Centraal daarin staat de enige erfgenaam die, geïnspireerd door de intussen gekende mysterieuze subversieveling, zich niet wil onttrekken aan haar ‘plicht’ te betalen voor het geld dat haar familie heeft vergaard. Mits enige manipulatie van de hongerige wolven die de overgebleven directeuren vormen, slaagt zij erin een nieuwe stad tot stand te brengen voor de inwoners. Dit leidt bij sommigen tot de omkering van een droom, en de inverse aard van de wreedaardige opwekking eruit. Een stad die niet bestaat? Of niet kan bestaan? Of beter niet had bestaan?

De verhalen bevatten een naturalisme waar Emile Zola zich helemaal in zou kunnen terugvinden; een sociaal, emanciperende inslag tegen de achtergrond van een soort oud-industrieel oud-Frankrijk. Inhoudelijk hebben ze de aanwezigheid van een zelfde engel-achtig figuur gemeenschappelijk, waarvan het staatsvijandig belang, zo wordt geschetst in een kort inleidend verhaal voor het eigenlijke Het Dorpje Dat Ging Vliegen begint, niet kan onderschat worden. In datzelfde inleidende verhaal wordt ook het subversieve karakter van beide auteurs aangeraakt, met hun hunker naar maatschappelijke rechtvaardigheid en een betere wereld. En elk verhaal leidt effectief tot een nieuwe wereld voor de bewoners van de verhalen. Alhoewel het in De Onbestaande Stad toch eindigt met een lichte, ironische kanttekening omtrent de wenselijkheid en het noodzakelijke isolement van gerealiseerde idealen.

De illustratiestijl van Bilal is herkenbaar, zijn personages zijn reeds karakteristiek, maar het zijn nog heel erg… tekeningen. Ze zijn prachtig, maar nog maar een voorbode van de verbeeldende stijl die hij later zou aannemen, als hij ook de verhalen voor zijn rekening neemt. Een hoogtepunt is natuurlijk de Nikopol-trilogie, alhoewel zijn grafiek is blijven evolueren. In zijn laatste reeks, met de voorlopige eerste twee delen Animal’z en Julia & Roem, bestaan de prenten eerder uit houtskool of gouache-achtige schilderijen waarin het belang van aflijning zo goed als is verdwenen. Ik vind het dan ook een beetje dubbel dat deze bundeling “Hedendaagse Legendes” werd heruitgebracht met een nieuwe cover door Bilal die impressies uit de 3 gebundelde verhalen bevat. Het is erg mooi, maar de cover is gemaakt in de stijl die Bilal vandaag hanteert, inclusief de overwegend blauwe inkleuring, terwijl de verhalen zelf daar nog maar de prille oorsprong van bevatten (op pagina 167, plaat 47, herken ik de prille trekken van de latere Parijse machthebber in Kermis Der Onsterfelijken). Maar de verhalen en de grafische verbeelding ervan zijn zondermeer klasse en de moeite, dus laat je door die kleine misleiding niet op het verkeerde spoor zetten, dus ook niet ontgoochelen.

Samen maakten Bilal en Christin later trouwens nog de meesterwerken De Falangisten Van De Zwarte Orde en De Jacht. Uitmuntende aanraders die zich helemaal afspelen tegen dubbelzinnige, politieke achtergronden.

Posted on Leave a comment

Another sound year gone by, 2011 (Top Music)

2011 in retrospect turns out to have been an exciting year. Some bands produced great music; some as they have always done, some as they once did (and then left off a bit, so we can use the word ‘comeback’), some as they did for the first time. I’m glad I postponed this overview a bit, as I purchased some (what turned out) great recordings last-minute in the year. I also caught up with the past, so I’ll be mentioning some older recordings in 2011 although they should have had a place in previous Top Music overviews (2008, 2009, 2010). Or much longer ago.

Top 5

  1. dEUS – Keep You Close
  2. Snow Patrol – Fallen Empires
  3. Agnes Obel – Philharmonics
  4. Smith & Burrows – Funny Looking Angels
  5. Elbow – Build a rocket boys

dEUS released a simply brilliant album with Keep You Close. It shows a sound and cohesive band, not afraid of alt.rock breaks and rhythms, subtle background noises and little bites but still manages to be funky, steamy or romantic while keeping an eye on melodies and pop-ear friendliness. The album is full of great arrangements and orchestrations, and integrates their well-known indie weirdness into a very mature approach to modern rock. dEUS made me realize the mistake of not buying their previous work (Vantage Point), although I already had all of their albums, including a whole bunch of singles and some specials.

dEUS ran a close race with Snow Patrol, whose new release Fallen Empires I only decided to get on the verge of 2012. I am absolutely fond of the band and its down-to-earth charismatic singer/writer Gary Lightbody. But I didn’t feel like buying their previous collector album, and their new singles felt over-familiar. But how wrong was I. They expanded their sound pallet enormously with subtle key boards, synths and electronics. But they managed to keep their essential integrity although I feel even the approach to their guitar playing has been shaken up a bit. I hear them immersing the later rock orientation of Eyes Open in the indie sound of Final Straw (my first love) and still opening that up to wider horizons and stadions.

Agnes Obel surprised me with the sheer beauty and stillness of Philharmonic. I didn’t buy it upon the Riverside single on the radio, but after seeing her playing it live at some television show. And although it is a fantastic song, the album has more than enough besides that single. There’s the follow-up Brother Sparrow for instance, but I have a personal favor for the interpretation of the John Cale song Close Watch. Because I waited long enough I was able to buy the “Deluxe Edition”. It is a terrible insult for the early buyers to release such editions later, but maybe they find rest if I tell them that the additions (“Live In Copenhagen” versions and “Piano Sessions”) don’t add too much as far as I’m concerned.

The only regret I have over the winter album Funny Looking Angels by Smith & Burrows is their band name. Well, it isn’t really a band name, and that’s what I regret. But, hey, the album itself is a terrific combination of own material and carefully selected covers. From the care put into them, in the singing, the (re-)arrangements and the instrumentation, you can’t tell them apart. Both artists turn out to be great singers ànd musicians. The first being a sort of surprise as far as Andy Burrows is concerned, the latter for me not really, being a gigantic fan of Tom Smith and Editors. Music to listen to while slowly drudging through the snow, replacing a warm fireplace, or -better- sitting by a warm fireplace you longed for during that long drive.

It’s too easy to say that Elbow has confirmed their quality with Build A Rocket Boys. Although they did, their standards for intensity, beauty and withheld charms are so high that even just confirming earns them a place amongst the best albums of 2011.

New

The last days of 2011 gifted me with the debut of Belgium’s School is Cool. And I must admit that I am highly surprised by the song material, the overall sound and production, the drive and the variation on their debut Entropology. Sort of too bad of the silly band name, but luckily I overcame that and got their record.
Intergalactic Lovers
is another Belgian band that released their debut in 2011, called Greetings & Salutations. But unlike School Is Cool, the album isn’t convincing overall. The singles are great, but stick out too much compared to the rest of the album. In their lyrics I feel Intergalactic Lovers need to grow while in that area, School Is Cool shows much more maturity.

Old New

I would absolutely like to mention the new Waterboys album, An appointment with Mr. Yeats. In several interviews over the last years, Mike Scott pointed out that he had been around for so long and had lived and survived so much in music that he was having a hard time working out new songs. Although their live shows are superb and energetic, yondering from past to modern with great improvisations and full of musical drive, the Book Of Lightning album did prove Mike’s point. However, the boys did not only find inspiration in Yeats’ poetry, they turned it into vivid songs, grabbing what made them so great in the past and mixing that in a melting pot with rock and folk ingredients, and layering it with great backings, violins and flutes to spew a wild, organic and enthusiast set of multi-layered songs.

Gavin Friday produced a very alienating album catholic. Although not co-written with long-time companion Maurice Seezer, the overall arrangements are equally subtle, emotional and rich. It sometimes revives the past (in a good way) to show us the wild performer, but mostly Gavin sings of the emotional rollercoaster that ran over him during the last 5 years. To date I still feel that he’s showing and hiding at the same time in his lyrics. He’s being very personal, but it feels like at the same time he runs from it by generalizing his expressions in order to hide. His completely authentic approach to (pop) music suffers a bit from it, but his amazing live performances totally stand out.

For various reasons I intensely enjoyed following albums:

  • Axelle Red manages to take different directions with each album. Although probably not always too successful in it, Un Coeur Comme Le Mien knew to convince me in combining the French language with some country feel and Axelle’s chansons.
  • I had lost sight of Heather Nova, except for her radio singles, for many years. But 300 Days At Sea showed her using her roots to update her sound, and focus on song quality again (over production). Glad to have seen her play live as well.
  • Editors gave us the low-cost collection You are fading (part I-IV), combining some great songs, new or alternative versions of existing material, as well as sometimes showing that some materials were rightfully not included on the regular albums.
  • Nid & Sancy gave us the free collection of songs bundled as Add Nightmare And Rinse, that -to a certain extent- blew me away. They certainly know how to mindblowingly combine electronics with soft shocks of infused guitars and voice noise.

The Kaiser Chiefs (The future is medieval), The Horrors (Skying), British Sea Power (Valhalla Dancehall), Florence + the Machine (Ceremonials), PJ Harvey (Let England Shake), Beirut (The Rip Tide) and Arctic Monkeys (Suck it and see) all showed their star quality and their status as firm and standing rock artists.

New Old

As mentioned, I wanted to hear the previous work of dEUS in its current incarnation of people. And Vantage Point (2008) is worthwhile. It lacks the broader perspective of Keep You Close, but it’s certainly more coherent than Pocket Revolution. I can’t tell whether it would have made my Top 2008, but I do know that The National would have made my Top 2010 with High Violet. Because it is a work of staggering intensity, driven guitars and killer rhythms and percussion.

2011 proved again that you can’t get your youth completely out of your system. Siouxsie and the Banshees with Tinderbox (1986, remastered 2009) and The Dead Kennedys with Fresh fruit for rotting vegetables (1980) have been in my favorite playlists for quite some time. And not only did they not bore me, they still give me much joy.

Nederlands – Dutch – Niederländisch – néerlandophone

In ons Nederlandse taalgebied, en met Nederlandstalig werk, bevestigde Yevgueni met Welkenraedt wat we al enkele malen live hadden meegemaakt, namelijk dat ze stevigere rockers, eerder dan folkies, zijn dan eerder werk misschien deed uitschijnen.

Mira liet met het gelijknamige album een zachtere zijde zien, zonder haar spitse taalkunde uit het oog te verliezen. Alhoewel de muzikale songinslag van Hannelore Bedert gevoelsmatig knapper lijkt, kan haar Uitgewist mij niet ontdoen van een voyeuristisch gevoel, dat net iets te mono-thematisch is. Maar, let wel, het blijft huiveringwekkend knap soms. Tegenstrijdige gevoelens dus. In lijn met het album?

Luc De Vos bracht met zijn vehikel Gorki allicht zijn beste album sinds enige tijd uit, Research en Development. Maar hij blijft lijden aan het syndroom dat hem tegelijk zo sympathiek maakt, namelijk dat het allemaal niet te ernstig moet zijn.

Via Radio 1 ontdekten we onze lokale zigeunerkoningin, Lady Angelina. Met Amor y Caracon bracht ze ons vertederende, licht-droevige maar steeds warme en tedere beschouwingen.

Posted on Leave a comment

De Volgende Pooh (gekruist)

Tijd om als tegengewicht voor mijn workaholisme een nieuw, oud borduurproject boven te halen, Pooh en zijn vrienden aan de befaamde blauwe ballon. En alhoewel ik zelfs tijdens het borduren wordt gedreven door efficiëntie (de kortste weg, zo weinig mogelijk draad gebruiken, strakke kruisjes) haalt het mijn brein toch lekker weg van de wereld, geeft het rust. En dat is belangrijk om niet onderuit te gaan, liet mijn lichaam blijken.

Dus, Pooh, here I come. Met mijn naailap en naald, mijn Paddington borduurdoos en mijn zwanenschaartje.

ps. Een andere zelfbeschermingsmaatregel is dat ik lekker ontspannen ben beginnen lezen in PB Gronda’s nieuwste, “Onder Vrienden”. Dertigjarige schrijver met Italiaanse vrouw schrijft over dertigjarige schrijver met Italiaanse vrouw die samen met vrienden het ongeluk van zijn dertigste verjaardag viert. Benieuwd. Zijn debuut, “Nemen we dan afscheid van de liefde“, beval me zeer. De opvolger, “Kentucky, mijn land”, minder.

Posted on Leave a comment

En de midvoor, hij scoorde (ook in boeken)

Ik heb Jan Mulder nooit in het echt weten voetballen. Daarvoor ben (was) ik te jong. Hij dus te oud?

Het vormde geen beletsel om intens te genieten van zijn boek Chez Stans, waarin hij teder terugdenkt aan zijn overgang naar en 7-jarig verblijf bij Sporting Club Anderlecht. Centraal staan echter vooral de liefdevolle herinneringen die hij ophaalt, aan het kleurrijke en immer gezellige Brussel, de gemoedelijkheid, de kleurrijke personages, de specifieke lokaties, de autos, de vrouwen en… het voetbal.

In de eerste helft van Chez Stans speelt Jan mooie één-tweetjes uit tussen heden en verleden, Winschoten en Brussel. Later dribbelt de voetballer die hij was verbeten tegen de schrijver die hij werd. Hij (maar welke hij?) zou nochtans beter moeten weten. Mooiprater die hij was en is. Hij legt vaak een bochtig parcours af, brengt zijn lezer in de war met weer een dribbel, een draaibeweging die je even doet zoeken naar het juiste zicht op de situatie, op wie er spreekt, waar die verteller zich bevindt. Maar ik weet dus niet of dat ook zijn typische voetbalstijl was. Wegens te jong. Hij te oud? Erg opvallend is alleszins de openheid waarmee de aimabele heer spreekt over de romantiek in zijn voormalig voetballersbestaan, de vele liefdes, groot, klein, kort, lang, onverteerd, soms ongeconsumeerd, soms nabij, soms veraf. Voorbijgaand, zoals blessures, groot en klein.

Opvallende momenten, hilarisch of vertederend, zijn er in overvloed. Ik genoot erg van de verplaatsingen van het verre Winschoten over Breda, Wuustwezel, Antwerpen naar het geheuvelde Brussel, langs het paleis. Datzelfde paleis waar hij afsprak met een Nederlandse bondscoach, net op tijd om diens arrestatie te kunnen voorkomen. Of de geboorte van zijn zoon, Youri (niet: Yuri), en de liefdevolle kinderopvang die Jan en Johanna werd geboden. Prachtig is de beschrijving van de ontvangst van de notabelen van Anderlecht in zijn nederige thuis in het verre noord-Nederland, de dag dat het bedrag voor zijn aanwerving wordt meegedeeld.

Kortom, de staalharde voetbalanalyticus verschijnt hier als onderhoudend causeur, maar nog steeds scorende midvoor, een authentieke verteller die zijn taal ook prachtig doorspekt met Brussels en koetervlaams. En met de nodige, kromme voetballogica.

Aangrijpend vertelt hij van zijn noodzakelijk vertrek uit Anderlecht (zijn trots, weet u), en het afscheid van ‘zijn’ Brussel. Zou hij zich die middelvinger naar Kessler betreuren? Ik gok van niet. De overstap naar Ajax? Dat weet ik niet zeker, want uit dit boek spreekt zovele jaren later nog zoveel hunkering naar ‘zijn’ club (Anderlecht) en het Brussel van die vroege jaren 70 dat hij in Amsterdam nooit zo gelukkig kan geweest zijn. Of wel? Misschien komen we het wel te weten in een opvolger van Chez Stans.