Op donderdag 17 april 1986 ben ik verongelukt. Zo zei ik dat graag. Niet met woorden, maar met haar blik wees mijn moeder me steeds terecht als ze me dat hoorde zeggen. Ik was namelijk niet ‘verongelukt’ die dag, maar ik had ‘een ongeluk gehad’. Dat was een wereld van verschil. In het eerste geval was je namelijk dood en in het tweede geval niet. En dat tweede geval is duidelijk…het geval.

Die bewuste donderdagochtend was ik, zoals steeds, met de fiets naar school vertrokken. Dat was zo rond 7.30 uur. Want het was een uurtje fietsen om die 20 kilometer naar school af te leggen en de eerste les begon om 8.40 uur. Of was het 8.30 uur? Het is ook al zo lang geleden.
17 april 1986 was de dag dat ik niet stierf, alhoewel wel bijna.
Ik ging naar een school die we genoegzaam “de broeders” noemden, maar eigenlijk gewoon het Sint-Jozefinstituut was. In 1982, toen ik er aan mijn eerste middelbaar begon, was de enige echte broeder de directeur. Tijdens dat eerste middelbare schooljaar nam ik nog elke dag de schoolbus, wat eigenlijk een vreselijk gebeuren was. Die bus maakte elke dag een toer langs een aantal gemeentes om leerlingen op te halen voor de vier verschillende middelbare scholen die in de gemeente van de broeders gevestigd waren. Toen die bus langs onze wijk passeerde, zat ze eigenlijk al overvol. Er was geen andere optie dan je met je veel te zware boekentas in de veel te smalle gang te wringen om daar een plekje te veroveren om, halvelings op die boekentas staande, de rit tot aan de school te overleven. En dat nam toch al snel nog zo’n 50 minuten in beslag.
Toen ik naar het tweede jaar ging, kwam ook mijn een (1, één) jaar jongere broer naar de broeders. Hij was het die het idee lanceerde om met de fiets te gaan in plaats van die vermaledijde bus van de lokale busmaatschappij. Ik herinner me niet meer of hij dat idee al lanceerde in zijn eerste jaar op mijn school of in zijn tweede jaar. Want ik herinner me niet meer of de directie van mijn school mijn ouders vriendelijk verzocht een andere school voor mijn broer te zoeken na zijn eerste jaar of na zijn tweede jaar op mijn school.
In ieder geval, uiterlijk vanaf mijn derde middelbaar, maar het kan dus ook het tweede geweest zijn, ruilde ik de overbezette bus in voor de fiets voor de twee dagelijkse verplaatsingen: om en bij de 20 kilometer heen in de ochtend en dezelfde afstand weer in de late namiddag. En dat was in principe door weer en wind, bij regen, sneeuw of ijs. Uitzonderlijk schafte ik me af en toe nog een dagkaartje aan in de hoop om voor een dag toegelaten te worden op die schoolbus. Het aangeschafte kaartje was daar in theorie een garantie voor, maar warm verwelkomd werd je nooit als fietsliefhebber en dus busverrader. Zelden was de rit in de stalen doos een prettigere ervaring dan het in mijn eerste middelbare schooljaren was en dus zorgde ik er graag voor dat dit een uitzonderlijke situatie was en hield ik het graag bij mijn stalen ros.
Op donderdag 17 april 1986 was dat niet anders. Ik nam de fiets naar school en onderweg haakten enkele bevriende schoolgenoten aan. Ik zat inmiddels in het vierde middelbaar in “de WB” afdeling (“Wetenschappelijke B”). Op een dag na was ik zes weken daarvoor 16 jaar oud geworden. Zoals gebruikelijk maakten we ook die dag de oversteek over een bepaalde grote baan op een punt dat niet het wettelijk voorziene oversteekpunt was. Dat was eigenlijk zo’n 50 meter verder gelegen, en dus ook 50 meter verder van de eerdere scherpe bocht in de weg. Maar, wat wil je? Elke dag 50 meter verder fietsen om over te steken en dan een lus van dezelfde afstand terug te moeten nemen om je weg te kunnen verder zetten? Echt niet!
Wat wel anders was die dag was de auto die met een zekere snelheid door die bocht kwam terwijl de overstekende fietser als verlamd bleef staan bij de vaststelling van dat aankomende stalen blik. Toen de bestuurder die als verlamde fietser zag, die niet langer als actief overstekend kon beschouwd worden, was het al te laat. De fietser stond dwars op de betreffende rijbaan, keek naar links de auto aan en kon door die auto niet meer vermeden worden. Hij werd door de wagen bumpergewijs opgeschept en licht omhoog gekatapulteerd. De fietser smakte aangezichtsgewijs met zijn hoofd tegen de voorruit van de auto, rolde opzij en werd vervolgens nog zo’n 17 meter met zijn schouder aan de zijspiegel aan de bestuurderszijde meegesleept vooraleer de auto tot stilstand kwam om zijn buit te lossen. Het waren jaren dat er van fietshelmen niet echt sprake was. Of van fluo hesjes.

Ik was die fietser, alhoewel ik er zelf niets meer van weet. Er is een zwart gat in mijn geheugen vanaf de ochtend van donderdag 17 april 1986. Geen actieve herinneringen. Ik weet zelfs niet meer dat ik ben opgestaan die dag, alhoewel ik me wel herinner wat ik de avond ervoor deed. Ik weet dus ook niet meer dat ik ’s morgens van huis ben vertrokken met de fiets, noch wie de twee bevriende schoolgenoten waren die me vergezelden. Ik kan dus enkel maar vertellen wat er die ochtend, en later, gebeurde dankzij anderen, waaronder die twee bevriende schoolgenoten. En dankzij officieel geregistreerde informatie. Maar dat maakt het niet meer dan tweedehandse informatie. Dat zwart gat in mijn geheugen dat een aanvang nam op donderdag 17 april 1986 is ook nooit opgevuld geraakt met herinneringen. Mijn verklaring is: zelfbescherming (van mijn lichaam, door verdringing, van gruwelbeelden). Mijn geheugen begon pas 2 weken later opnieuw herinneringen op te bouwen. Ook mijn favoriete trui die ik droeg op donderdag 17 april 1986 heb ik nooit kunnen recupereren.
Alhoewel de leerkracht van het schoolsecretariaat die even later ter plekke kwam, behoorlijk geschokt was, moet het vooral vreselijk geweest zijn voor mijn twee schoolgenoten. Zij hadden het ongeval voor hun ogen zien gebeuren. Mijn twee medescholieren zagen mij voor hun ogen stilstaan, opgeschept, gekatapulteerd en meegesleept worden. Ik kan me lieflijker taferelen voorstellen.
Van mobiele telefoons was ook nog geen sprake maar een ambulance kon toch opgeroepen worden. Ik vernam later dat mijn favoriete trui door de verplegers van die opgeroepen ziekenwagen kapot geknipt werd. Ik heb daar alle begrip voor. Hetzelfde geldt voor mijn broek, vermoed ik. Ik moet behoorlijk wat bloed verloren zijn door de opgelopen beenbreuk, want als ik goed ben ingelicht heeft een gemiddelde mens zo’n vijf liter bloed in omloop. En ik had blijkbaar toch nood aan een bijvulling van zo’n drie liter.
De opgeroepen ambulance bracht de fietser, nog steeds buiten bewustzijn, naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Dichtstbijzijnd betekent in dit geval toch ook een af te leggen afstand van 15 km. Daar kan men vooral enkel vaststellen dat mijn geval een meer gespecialiseerde aanpak nodig heeft dan men in dat dichtstbijzijnde ziekenhuis kan bieden. Men roept een MUG op en die brengt me naar het dichtstbijzijnde “Academisch Ziekenhuis”, waar men wel over de inzichten, apparatuur en mensen voor mijn casus beschikt. Dat zal toch ook weer een rit van 20 km geweest zijn. Het waren jaren dat een MUG enkel op afroep kwam en niet standaard inbegrepen was. Ik kom terecht op intensieve zorgen en lig aan de nodige apparatuur, draden en buisjes.
Mijn intussen verwittigde ouders komen halsoverkop naar dat universitaire ziekenhuis. Ik besef het zelf niet want ik bevind me in een diepe coma. Dat is het resultaat van de klap die mijn hoofd maakte op de voorruit en de druk die mijn ingedrukte schedel daardoor op mijn hersenen heeft gemaakt. Het wordt een ‘schedelbreuk’ genoemd, alhoewel er van een breuk in de letterlijke zin geen sprake was. Mijn ouders vertelden me later hoe ze ontvangen werden en het kamertje waarin ze werden ondergebracht. Het gaf hen geen hoop. Uit de wijze waarop ze werden opgevangen werd het voor hen duidelijk dat het er echt, echt niet goed uit zag en dat het eigenlijk dicht bij einde verhaal was. Enige jaren later heeft mijn huisarts me dat trouwens ook met zoveel woorden bevestigd. De kans dat ik er (quasi) ongeschonden uit kwam, was eigenlijk (quasi) onbestaande. De dood of minstens een blijvend lichamelijk letsel en eerder nog een hersenbeschadiging waren gevolgen die veel hoger stonden op de ladder van waarschijnlijkheid dan een leven zonder blijvende gevolgen.
24 Uur later, de ochtend van vrijdag 18 april 1986. Net voor de beslissing om tot een schedelboring over te gaan om de veronderstelde druk onder mijn schedelpan te verlichten, open ik even de ogen. De schedelboring gaat niet door. Een zeker geloof in een zekere mate van herstel schiet wortel.
Mijn sleutelbeen is gebroken. Maar dat is peanuts in vergelijking met de dubbele open beenbreuk die ik opliep. In mijn linkerbeen wordt een plaat aangebracht om het los gedeelte scheenbeen op zijn plaats te houden. Ik vermoed dat het losse gedeelte zo hoog is als de bumper was van de auto. Later blijkt die plaat me niet te verhinderen om te stappen, maar wel om te rennen. Dat ging gewoon even niet meer, ondanks verwoede pogingen. Dat had dan weer als voordeel dat ik verbazend goed werd in het voortbewegen met krukken. Het mag ook geen verrassing zijn dat mijn ongeval ook het einde was van mijn voetbalcarrière, die nog maar net dat seizoen was begonnen. Maar, het moet gezegd, aan mij is echt geen voetballend talent verloren gegaan.
Ik heb een tijdje gemeend dat ik maar twee dagen coma had gehad. Maar tijdens een visite bij de neuroloog tijdens mijn revalidatieperiode stond in mijn dossier blijkbaar twee weken. Ik heb aan die twee weken ook maar een (1, één) echte herinnering. Alhoewel, ‘herinnering’ is nogal een groot woord. Ik weet enkel dat ik op een gegeven moment even ontwaakt ben, de boel bij elkaar geroepen heb en om een telefoon ‘gevraagd’ heb. Ik vind het nog altijd verbazend dat ik op dat moment blijkbaar ook perfect ons thuistelefoonnummer kon dicteren om vervolgens mijn ouders halsoverkop te doen toesnellen.
De volgende herinnering dateert al van na die twee weken. Dat is dan weer wel een herinnering van het actieve soort. Toen ik me de eerste maal zelf tot in het badkamertje van mijn ziekenhuiskamer kon verplaatsen, zag ik in de spiegel aldaar (tot gigantische verbazing van mijn omgeving) niet mijn gigantische zwarte linkeroog (gevolg van de impact) maar wel de vele acné in mijn gezicht. Zullen we het houden op gevoeligheden typisch voor de puberteit?
Die periode van twee weken onwetendheid betekende ook dat ik werkelijk geen idee had van de wereldramp waar men op TV voortdurend over leek te spreken. Tergend langzaam drong tot me door dat men van mijn geestelijke afwezigheid gebruik had gemaakt om de grootste kernramp aller tijden te veroorzaken, die van Tsjernobyl op 26 april 1986, nog geen tien dagen nadat ik even uit het actieve leven verdween.
Onwetend was ik ook van mijn onbeschaamde naaktheid. Mij is verteld dat als ik het te warm leek te krijgen in mijn ziekenhuisbed ik zonder enige schroom de lakens van mij af wierp, daarbij alles onthullend dat zich onder die lakens bevond. En dat was, zo is mij verteld, vaak zelfs geen ziekenhuisschort.
Na twee weken in coma volgen nog vier weken ziekenhuisverblijf om het totaal aantal weken ervan op zes te brengen. Ik weet niet meer op welk moment het exact was in die zesweekse periode, maar op een gegeven moment mocht ik een weekend naar huis. Zoals dat dan gaat met een beschadigd been en bezorgde ouders mocht ik vooraan in de wagen plaats nemen met dat beschadigd lichaamsonderdeel op een kussentje. Dat was blijkbaar een uitnodiging voor mijn vader om lekker stevig over een bult in de weg te rijden (ik weet nog waar het was). En mij schaapachtig uit te lachen. Sommigen zouden het, denk ik, een gevoel voor humor noemen. Mijn moeder heeft me later trouwens toevertrouwd dat ze even hoopte dat mijn vader door mijn ongeluk wat minder zou gaan drinken. Helaas…
Mijn ongeval had plaats in de eerste schoolweek na de paasvakantie. Mijn schooljaar was dus voorbij. Na mijn ziekenhuisperiode start mijn revalidatie. Thuis. Dat heeft dan weer wel als voordeel dat ik het WK ’86, waar de Rode Duivels in Mexico zo geweldig presteren, volledig kan volgen, nachtwedstrijden inbegrepen. Ik herinner me nog een voetbalfreakerige klasgenoot die deze ‘luxe’ niet had en aan dit tornooi toch de nodige herexamens heeft overgehouden. Het nadeel van het gegeven dat mijn schooljaar voorbij was is dat ik in theorie niet gerechtigd ben om over te gaan naar het vijfde jaar. Ik had namelijk enkel kerstexamens gedaan, terwijl er op mijn school geen paasexamens waren. En formeel moest je schijnbaar twee grote examenperiodes succesvol overleefd hebben om in aanmerking te komen voor een jaarovergang. Ik ben tot vandaag mijn leerkrachten oneindig dankbaar dat ze bij tminnesterie gedaan kregen dat de klassenraad de eindbeslissing mocht nemen. En dat de klassenraad daarover een positieve beslissing nam. Oef, want dat vierde jaar was toch wel een beetje een apenjaar, een jaar waarin ik nogal de aap uithing. Ik had zelfs mijn eerste onvoldoende op een rapport, ooit. Dat was voor het vak “Aardrijkskunde” op het rapport van net voor de paasvakantie. Dank je wel, leerkrachten. Als ik terugkijk op mijn latere studiecarrière en -resultaten mag ik toch wel stellen dat ik jullie vertrouwen niet beschaamd heb.
Inbegrepen in mijn revalidatie waren kinesitherapeutische behandelingen aan huis die er op gericht waren om de spierkracht in mijn gehavende linkerbeen terug op niveau te brengen. Ik had een, nochtans tengere, dame als kinesitherapeute aan huis die duidelijk voorstander was van een stevige aanpak. Alhoewel ik het op dat moment niet zo ervoer, moet ik zeggen ‘gelukkig’. Op het moment zelf was het lastig, pijnlijk en uitputtend en het ging niet zelden gepaard met enige tranen. Nochtans ben ik haar net als het toenmalige ziekenhuispersoneel oneindig dankbaar. Toen ik op volgroeide leeftijd over een scoliose van 11° bleek te beschikken, vond mijn huisarts het vooral jammer dat die bij de uitgebreide onderzoeken na mijn ongeval niet was vastgesteld, maar ging ik met een gerust hart naar haar voor mijn behandelingen.
Ik herinner me ook levendig nog een voorval tijdens mijn revalidatie. Op straat lachte een leeftijdsgenoot me gewoon uit en riep me toe dat ik door mijn ongeval vooral zot was geworden, in de zin van krankzinnig en geestelijk gestoord. Mijn behendigheid met krukken was niet zodanig dat ik hem kan inhalen terwijl hij luid lachend wegliep. Die scene staat dan weer wel in mijn geheugen gegrift. Op dat moment kon ik er niet mee lachen en was ik eerder uitzinnig van woede en onmacht. Maar ik ontken formeel dat mijn toestand van (schijnbare) krankzinnigheid het gevolg was of is van mijn ongeval. Ik was ook daarvoor al geweldig gek. Of ik zo geboren of zo geworden ben, weet ik niet, maar ik houd het graag op het eerste. Zoveel jaren later sta ik meer dan ooit op dat standpunt. Het nodige geluk was er wel mee gemoeid, want zoals gezegd waren de kansen om er (quasi) onbeschadigd uit te komen eigenlijk (quasi) nihil.
Vanaf 1 september ging ik terug met de fiets naar school. Naar het vijfde jaar dus. Dat was op een nieuw exemplaar dat ik had gekregen van mijn grootmoeder. Ik nam dezelfde route, maar ik denk niet dat ik nog op diezelfde plek de weg ben overgestoken. Ik vermoed dat ik er voortaan die lus van 2 keer 50 meter toch maar bijnam. Ik had tijdens de zomervakantie het door de klassenraad gevraagde inhaalwerk gedaan. En toch heb ik enkele basics in chemie en wiskunde steeds als een gemis blijven ervaren. Nu, dat van wiskunde kan ook een gevolg zijn van een alcoholverslaafde wiskundeleraar die men maar niet buiten gewerkt kreeg (wegens vastbenoemd).
Fietsen was dus geen probleem. Stappen was dat ook niet, maar echt rennen lukte niet eerder dan een jaar later, toen de metalen plaat in het voorjaar van 1987 terug uit mijn been werd gehaald. Zelfs korte sprintjes lukten echt, echt niet met dat stuk ijzer in mijn been. Ik was trouwens oprecht in shock toen tijdens een ziekenhuisvisite op de foto’s ervan bleek dat er effectief schroeven in mijn been gedraaid bleken. Ik wil wel alsnog mijn excuses aanbieden aan mijn toenmalige turnleerkracht. Ik heb toch wel enkele malen onterecht mijn ongeluk ingeroepen om aan lastige turnoefeningen te ontsnappen.
‘Vriendschappen’ waren even opgebloeid tijdens mijn revalidatie. Om daarna even snel terug uit te doven. De onvermijdelijkheid daarvan zag ik pas veel later. Hetzelfde geldt voor de noodzakelijkheid ervan.
We zijn 17 april 2026, 40 jaar later. Een week geleden werd onze dochter 16 jaar. Ze zit in het vierde middelbaar. Ze is ongedeerd.