
Juli 2003. Een donderdagavond. Ergens tussen 22 en 23 uur geeft mijn hoogzwangere vrouw aan dat het haar beter lijkt dat we naar het ziekenhuis vertrekken voor de bevalling. We droppen onze oudste zoon (19 maanden oud) bij mijn ouders. Van bij hen is het maar een kwartiertje meer rijden, alhoewel mijn vrouw onderweg toch begint te vrezen dat zelfs die luttele 15 minuutjes niet gaan volstaan. Uiteindelijk halen we het ziekenhuis wel in onbevallen toestand, maar daarna gaat het toch ongemeen snel. Onze tweede zoon (het is een jongen, inderdaad) vervoegt rond 1 uur ’s nachts al deze wereld na een bijzonder vlotte bevalling. Misschien ligt het wel aan het feit dat het eerder een lichtgewicht is (2,5 kg of daaromtrent). Alle eerste testen van onze pasgeboren zoon geven verder aan dat alles prima is (reflexen en zo). In een lichte euforie stuur ik in de vroege uurtjes (onmiddellijk slapen zit er nog niet in na mijn terugkeer naar huis) de nodige berichten en mails rond om het heuglijke nieuws te verkondigen bij familie en vrienden.
Na alsnog enkele uurtjes te hebben geslapen, begeef ik me terug richting materniteit. Daar is net ook de kinderarts op bezoek. En die brengt ons de verrassende boodschap dat hij vermoedt dat onze zoon het syndroom van Down heeft. Hij baseert zich op een aantal typische kenmerken, zoals de stand van de ogen en de (doorlopende) lijnen in zijn nietige handpalmpjes. Het is een complete verrassing omdat de gynaecoloog er bij de standaardcontroles tijdens de zwangerschap (zoals meting van de nekplooi) geen enkele indicatie van had gezien. Gezien de leeftijd van mijn vrouw was er dan ook geen reden om verder te zoeken. Maar, terugblikkend, was er natuurlijk wel het lichte geboortegewicht van onze zoon en het gegeven dat hij de laatste weken van de zwangerschap nauwelijks nog was bijgekomen. De vraag is of het iets zou veranderd hebben, hadden we het op voorhand geweten? Allicht niet.
Continue reading Uiteindelijk was het ‘maar’ een lage bloeddruk…

