Posted on Leave a comment

O zo menselijk (voor zowel als na de kennismaking met Nietzsche)

1/ De onverwachte weg naar een onverwachte kennismaking

Van de technische wereld…

Rood etiket met de naam 'JAN' erop gedrukt, op een gladde achtergrond.

Januari 1996. Ik ben het beu. Alles. Ik verdien niet genoeg. Ik krijg niet de werkmiddelen die ik meen nodig te hebben (lees: dure software). Ik krijg geen firmawagen. Terwijl mijn privé-wagen eigenlijk van betere kwaliteit is dan de firma-exemplaren. Ik zoek maar vind geen nieuwe betrekking. Waarom word ik zelfs niet uitgenodigd? Ik brand. Terwijl instant antwoorden, oplossingen of uitwegen uitblijven, brand ik harder. Maar ik brand niet op. Ik wil vooruit. Ik wil meer. Ik wil alles. En eigenlijk wil ik het nu.

Kortom, bij de aanvang van 1996 ben ik een en al ongeduld en als gevolg daarvan een en al frustratie en irritatie. Eigenlijk was ik echt wel een héél grote brok frustratie. Ik ben sinds mei 1993 in dienst bij deze KMO (‘Kleine of Middelgrote Onderneming’–met in dit geval de nadruk op de ‘K’ gezien de 8 personeelsleden en de 2 eigenaar-oprichters) na een tweede sollicitatie. Ik herinner me nog mijn eerste sollicitatie bij het bedrijf, in de zomer van 1992, als vers afgestudeerd ingenieur elektronica (met specialisatie hardware engineering). Ik herinner me nog hoe ik compleet door de mand viel na een vraag over een RS485-driver. Ik leerde later (en prentte dat zo in mijn geheugen) dat het bedrijf die gebruikte voor seriële, stroomgestuurde communicatie. Wat bleek? Als industrieel ingenieur werd je verondersteld niet enkel iets (technisch) te kennen, maar ook iets (technisch) te kunnen. Daar sta ik dan met mijn glinsterend diploma en de veronderstelling in aanmerking te komen voor leidinggevende functies—falend in elk opzicht: in kennis, kunde en aspiratie. Na mijn tweede sollicitatie bij het bedrijf, in mei 1993, was de positieve commentaar dat ik niet enkel werkervaring had opgedaan, maar dat ik ook behoorlijk wat aan maturiteit had gewonnen. Van september 1992 tot maart 1993 had ik als software-ingenieur op VAX (en een beetje op OS/2) gewerkt met wat buitenlandse verplaatsingen voor een gigantisch project voor magazijnautomatisering in Ierland (vaak als enige vertegenwoordiger van het bedrijf). Deze keer kreeg ik wel een plekje aangeboden.

Ik herinner me daarna de feedback na mijn proefperiode van zes maanden: “niet indrukwekkend” (allicht want nog steeds beperkt in kennis en kunde), “alhoewel er wel een potentieel tot organiseren lijkt te zijn dat een kans verdient” (vrij vertaald). Dus, naast assembler-programmatie op in-house ontwikkelde micro-pic controller gestuurde (types PIC16C54(C)-PIC16C57(C)) devices krijg ik een extra rol toegewezen in aankoop en projectcoördinatie. Ik leef helemaal op en na een zevende proefmaand mag ik mezelf als vast in dienst beschouwen. Later komt er ook nog softwareontwikkeling in C++, Delphi en Paradox bij.

Maar nog geen drie jaar later kan het dus allemaal niet snel genoeg meer gaan. En dat heeft het nooit gekund, eigenlijk. Er brandt een vuur (in mij). Ik heb geen idee van de bron.

Ik besluit dat ik het helemaal gehad heb met de technische wereld waar ik blijkbaar voor opgeleid en in terecht gekomen ben. Mijn vriendin (in 1997 zijn we getrouwd en dat zijn we anno 2025 nog steeds) en ik lezen dat de positie van (zelfstandig) uitbater van de boekhandel in mijn lokale gemeente beschikbaar komt. Ik kan me niet inbeelden dat een boekhandel in mijn lokale gemeente überhaupt kan—laat staan kan floreren—maar ik stel me, aangespoord door mijn vriendin, toch kandidaat. Na een gesprek met de verantwoordelijken van de boekhandelsketen krijg ik een contract aangeboden. Ik informeer me boekhoudmatig om de leefbaarheid van de voorgespiegelde omzet (en vergoeding) te kunnen inschatten. In afwezigheid van negatieve adviezen teken ik en dien ik mijn ontslag in bij de KMO. Daarbij kan het me niet schelen dat er een wettelijk voorziene opzegperiode is. Ik wil vertrekken. Nu! Ik ben (te) emotioneel. Mijn opzeggesprek loopt bepaald niet geweldig. Mijn woede staat elk begrip in de weg en mijn houding is allicht weinig rationeel, laat staan constructief. Een les die ik er later uit trek (één van de vele) is dat ongecontroleerde boosheid je sowieso in een verliezende positie brengt als je gesprekspartners wel het hoofd koel houden.

Het duurde nog wel enige jaren voor ik besefte dat ik in die periode vooral mezelf aan het opbranden was, dat niets of niemand anders daar schuld aan had. Niets menselijks was (en is) me vreemd. Tot op vandaag kijk ik met enige meewarigheid terug naar de houding en opstelling van mijn jongere ik, naar mijn ongeduld en mijn ijver, mijn ijdelheid en mijn pretentie, mijn naïviteit en mijn onkennis van de wereld, mijn onmacht in het kwadraat (namelijk de onmacht om met het gevoel van onmacht om te gaan). O zo menselijk was ik (en ben ik). Maar tegelijk betreur ik ook het gebrek aan begeleiding, mentoring of coaching, bijvoorbeeld van de twee bedrijfseigenaars in die periode met hun tonnen ervaring. Daar tegenover staat dat het, ook met een latere terugblik vanuit wat toen de verre toekomst was, wel degelijk de juiste beslissing was. Uiteindelijk was het ook niet de laatste keer dat ik intuïtief en impulsief te werk ging en toch de juiste beslissingen nam. Voor de bewezen recidivistische “over-thinker” die ik ben is dat zeer, zeer vreemd, maar ik heb geleerd dat de trigger die me zo doet handelen steeds (verontwaardiging over een gebrek aan) “rechtvaardigheid” is. Uiteindelijk bleef ik uitzonderlijk langer dan 2-3 jaar bij een werkgever en elk vertrek was het resultaat van onverteerbare overtredingen van mijn waardensysteem en principes.

Dankzij deze onnadenkendheid heb ik echter niet enkel op professioneel vlak, maar hebben mijn vrouw en ik ook op persoonlijk vlak zelfs stappen gezet en resultaten bereikt die anders ondenkbaar zouden geweest zijn. Soms moet je inderdaad gewoon springen. Gelukkig leerde ik geleidelijk mijn emoties te omarmen in plaats van ze te negeren en te verwerpen, zoals de traditionele business en corporate modellen ons leren en voorhouden. Het werd zelfs een bewuste keuze om uitdrukkelijk vast te houden aan menselijkheid op de werkvloer. Ik volhard dan ook in de mening dat er te weinig begrip en aandacht voor het ‘o zo menselijke’ is in de bedrijfswereld en—bij uitbreiding—in de samenleving. Nochtans zijn en blijven we in de eerste plaats mensen, geen emotieloze machines of robots.

Mijn jongere ik (anno 2005)
Mijn jongere ik (anno 2005)

…naar een wereld van boeken

Uiteindelijk vernam ik ergens in de periode van mijn vertrek alsnog dat ik eigenlijk, ondanks mijn beperkte senioriteit, al bij de betere verdieners was bij die KMO. Maar kom, het vertrek is bezegeld en ik kan net op tijd aan de slag als zelfstandig uitbater van een boekhandel in een formule van franchising. Trots als een pauw ben ik. Ik leef ook helemaal op. Ik zou het als een droomjob beschrijven ware het niet voor het financiële aspect, alhoewel ik me daar pas geleidelijk aan van bewust word. Het duurt namelijk een tijdje voor ik begrijp dat het bruto inkomen dat ik had als bediende niet kan vergeleken worden met de vergoeding die ik als zelfstandig uitbater krijg. Van dat laatste moet namelijk nog heel wat van afgetrokken worden voor de vergelijking opgaat. En de verkeerde vergelijking is alleen maar verkeerder als het laatste al beduidend lager is dan het eerste om te beginnen. Dus, zelfs het idee dat we van dat laatste voldoende konden leven (alhoewel niet zoals voorheen) blijkt na een tijd een pijnlijke vergissing. Me voorafgaandelijk boekhoudmatig informeren was dus nutteloos gebleken, want niemand had me blijkbaar de harde waarheid durven vertellen. Maar als je je auto verkoopt, kinderloos blijft, bescheiden woont en wat comfort afbouwt, kom je toch ook al een eind. Want, soms moet je de sprong volhouden.

In de winkel heb ik een vaste klant waarvan ik weet dat hij ooit filosofie heeft gestudeerd. Spraakzaam is hij niet. Fascinerend wel. Zijn diploma heeft hij, maar zijn doctoraatsthesis heeft hij, alhoewel wel gemaakt, niet ingediend en verdedigd. Ik ben een jonge blaag die zich al eens interessant wil maken (dat zal uit alle voorgaande bekentenissen ook al wel duidelijk geworden zijn, zou ik denken) en dus wijs ik hem op een gegeven moment op de nieuwe uitgave van ‘Aldus sprak Zarathoestra’ die ik op de toonbank uitgestald had. Daarop doorbreekt hij zijn gebruikelijke zwijgzaamheid en geeft aan welke andere werken van Friedrich Nietzsche naar zijn mening beter zijn. Hij noemt zichzelf trouwens eerder een aanhanger van de taalfilosofie van Wittgenstein.

Dus, ik las van Friedrich Nietzsche de boeken ‘Voorbij goed en kwaad’ (1886) 1, ‘De vrolijke wetenschap’ (1882) 2 en ‘Ecce homo’ (1888, postuum gepubliceerd in 1908) 3. En dat bleek van levensbelang. Op de leeftijd van 26 hielp het me om veel van de gebeurtenissen van mijn niet al te bijster vrolijke jeugd mee een plaats te geven. Ik beschreef mijn toestand–eufemistisch–als “The terrorism of an alcoholic father left me with serious damages and memories of a loveless youth” in het blog-bericht Why It Took Time (to become what I didn’t know I wanted to be) dd. 18 juni 2012. Is dat dan de bron van mijn levenslang vuur?

Alhoewel mijn (intussen) echtgenote en ik de tijd van ons leven hadden in de wereld van boeken en we twee keer de uitbating van een grotere boekhandel op ons namen (de eerste verhuis volgde op de sluiting van de boekhandel in mijn lokale gemeente wegens niet leefbaar), sloten we de boekhandelsfase van ons leven in 1999 toch af om redenen van onbalans tussen inkomen en sociale belasting. We bevonden ons quasi op de rand van ernstige financiële problemen zonder enige vorm van sociaal leven.

Een rode banner met het woord 'JUN' in witte letters.

Alhoewel ik me in 2000 de hoofdwerken van mijn levensreddende filosoof (opnieuw) aanschafte—in nieuwe edities naar aanleiding van de 100e verjaardag van zijn dood—lukte het me niet om er vervolgens een exclusief Nietzsche-leesjaar van te maken. Ik las simpelweg geen enkel nieuw aangeschaft boek. Dat heeft alles te maken met mijn toenmalige werkomstandigheden waarbij ik minimaal 14 uur per dag werkte, dagelijkse verplaatsing en files niet inbegrepen. En in de daaropvolgende jaren las ik meestal biografische werken over Nietzsche. De enige, latere uitzonderingen–alhoewel ook weeral een eeuwigheid geleden–waren de lectuur van ‘De geboorte van de tragedie’ (1872) 4 en de essays tegen Wagner (1888 en 1889) 5, beschreven in het blog-bericht Nietzsche contra Nietzsche dd. 24 juli 2014, en ‘Aldus sprak Zarathoestra’ (1886) 6. Hierna begreep ik trouwens ook waarom mijn vroegere winkelbezoeker me die andere werken van Nietzsche eerst aanraadde. Ik ben het wel niet met hem eens dat de Zarathoestra een te vermijden werk is. En een aanhanger van Wittgenstein werd ik ook nooit.

2/ Menselijk, al te menselijk

Een rode kaart met de tekst 'MAY' in witte letters.

Fast forward naar 2025. Ik neem me voor om eindelijk alles van Nietzsche in chronologische volgorde (van verschijning) te lezen. Ik schrijf “eindelijk” want ik had dat plan ook in 2024 weer eens opgevat, maar de uitvoering ervan bleef toen beperkt tot het lezen van de twee essays gebundeld als ‘Het Dionysische wereldbeeld’ 7, de selectie vroege teksten samengebracht in ‘Waarheid en leugen’ 8 en ‘De geboorte van de tragedie’ 9 (in de uitgave van de nieuwe Nietzsche-bibliotheek).

Mijn collectie werken van en over Friedrich Nietzsche

Na de lectuur van de vier ‘Oneigentijdse beschouwingen’ (1873-1876) 10 (Nietzsche wilde er oorspronkelijk dertien schrijven) begon ik aan de gedichten van Nietzsche verzameld in ‘Dat alles ben ik’ 11 (2023). Maar toen ik bij het lezen daarvan bij verwijzingen naar het boek ‘Menselijk, al te menselijk’ (1878-1879) 12 kwam, besliste ik om de gedichten even opzij te leggen en eerst ‘Menselijk, al te menselijk’ zelf te lezen. Uit zelfs de vroegste gedichten blijkt trouwens de taalvaardigheid van Nietzsche al. Toen voelde het logisch om daarna ook ‘Afgemat als een eendagsvlieg bij avond’ 13 te lezen, een selectie van 109 brieven uit een totaal van 1044 brieven die uit de periode tot 1879, dus volgend op de publicatie van ‘Menselijk, al te menselijk’, bewaard zijn gebleven. En bij dat alles was ik de nodige notities beginnen nemen, met dit blog-bericht als gevolg…

‘Menselijk, al te menselijk’ is het eerste ‘echte’ filosofische boek van Friedrich Nietzsche. Nu ja, als we zijn eersteling, ‘De geboorte van de tragedie’, als een filologisch boek zouden beschouwen van een klassieke filoloog zoals Nietzsche dat toen officieel was. En dat doet het oneer aan, vanzelfsprekend. ‘Menselijk, al te menselijk’ verschijnt oorspronkelijk in 1878 als één deel. In het daaropvolgende jaar schrijft Nietzsche echter nog twee extra delen en in de heruitgave van 1886 verschijnt het uiteindelijke boek zoals we dat ook vandaag nog kennen. Terwijl het eerste, originele deel titelloos is, zijn de twee later geschreven gedeeltes als ‘Eerste afdeling: Gemengde meningen en sententies’ en ‘Tweede afdeling: De reiziger en zijn schaduw’ als het ‘Tweede deel’ aan de heruitgave toegevoegd.

Het verleden en het heden

In het originele, eerste deel maakt Nietzsche al meteen zijn (latere) geuzennaam van “filosoof met de hamer” waar. Hij dissecteert en vernietigt op die basis vervolgens in ongemeen scherpe bewoordingen de nodige heilige huisjes. Daarbij verkent hij een nieuwe stijl van schrijven, waarbij hij naast breder uitgewerkte teksten erg veel in relatief korte tot erg korte genummerde paragrafen schrijft. Het is de verkenning van de aforistische stijl, hèt stijlelement waar hij later zo bekend voor zal staan. Nu, het is allemaal nog verkennend, en dat toont zich al in het gegeven dat hij de term “aforisme” nog niet gebruikt, maar wel “sententie”, wat staat voor “een beknopte, wijze spreuk, gezegde of uitspraak met (vaak) een algemene levensles of morele boodschap”. Het ‘Eerste deel’ bevat, na een voorwoord van 8 paragrafen (sinds de heruitgave), 638 van dergelijke paragrafen en een afsluitend gedicht van 2 paragrafen. Dat laatste werd ook aan de herdruk van 1886 toegevoegd. Het ‘Tweede deel’ kreeg een voorwoord van 7 paragrafen, terwijl de ‘Eerste afdeling’ er 408 bevat en de ‘Tweede afdeling’ 350, naast de ongenummerde inleidende en uitleidende conversaties tussen de reiziger en zijn schaduw, zoals de titel ervan luidt.

Naast een afrekening met het verleden zijn inhoudelijk veel van zijn teksten en sententies een vorm van beginselverklaring. Ze geven uitdrukking aan de richting die Nietzsche meent te moeten inslaan, waar hij denkt naar toe te gaan, waar hij voor wil staan in de toekomst. De ondertitel van het boek, ‘Een boek voor vrije geesten’ (“Freigeister”), geeft aan wat dat inhoudt. Het is wat Nietzsche wil zijn: “Freigeist“, iemand die ongehinderd (door geld, relaties, vriendschappen, posities of heersende patronen, dogma’s en conventies) zegt waar het op staat qua stand van de wereld, de maatschappij, de kunsten, de muziek, de filosofie. Het is zoals hij in zijn brief aan Mathilde Maier van juli 1878, na de publicatie van de eerste druk van ‘Menselijk, al te menselijk’, schreef: “Nu schud ik van mij af wat niet bij mij hoort, mensen, zowel vrienden als vijanden, gewoontes, handelingen uit gemakzucht, boeken […]”. Als voorbeeld vermeldt hij zijn definitieve afscheid van Wagner en diens “barokke kunst van overspannenheid en verheerlijkte mateloosheid”. Terloops voegt hij daar een voorafspiegeling van de latere figuur van Zarathoestra aan toe: “[…] ik leef in eenzaamheid, en dat zal de komende jaren zo blijven, zodat ik weer als filosoof van het leven, rijp geworden en voltooid, onder de mensen mag (en dan waarschijnlijk moet) komen.” In het ongedateerd en pas in 1894 gepubliceerd gedicht ‘De vrije geest’ (‘Der Freigeist’) noemt Nietzsche het de “duizendvoudige woestijn” en een “winters zwerfbestaan”. Maar ook eerder al, in 1874, schrijft hij in een brief aan Emma Guerrieri-Gonzaga, een Italiaanse lezeres en zeldzame bewonderaar van zijn oneigentijdse beschouwingen: “Ook ikzelf ken geen hoger doel dan ooit een keer ‘opvoeder’ in de ruime zin van het woord te worden: maar […] de totale, vreselijke balans van al datgene wat wij ontvluchten, vrezen en haten moet eerst worden opgemaakt—maar daarna ook geen blik meer terug op het negatieve en onvruchtbare! Alleen nog maar planten, bouwen en scheppen.”

Echter, filosofie met de hamer eist al vroeg zijn tol. De aangehaalde Italiaanse lezeres haakt in 1875 al terug af want “[…] ik geloof dat u te zeer met mokerslagen werkt […]”. En dat was dan enkel al op basis van de eerste drie ‘Oneigentijdse beschouwingen’. Van ‘Menselijk, al te menselijk’ was er zelfs nog geen sprake…

In de gedichtenreeks ‘Scherts, list en wraak’ (‘Scherz, List und Rache’) (verschenen als inleiding bij ‘De vrolijke wetenschap’, 1882) zijn deze ideeën ook in dichtvorm uitgedrukt:

De wandelaar (‘Der Wandrer’)

‘Geen pad meer! Enkel afgrond, doodse stilte.’
Het pad verlaten: dát was wat je wilde!
Blijf kalm en kijk! Besef toch, wandelaar:
verloren ben je, denk je aan – gevaar.

De onvrije (‘Der Unfreie’)

A. Hij luistert of ze hem belagen,
hoort geruis, voelt onbehagen,
huivert, wat wil het geval?
B. Wie ooit ketens heeft gedragen,
hoort ze rinkelen – overal.

Nietzsche staat met ‘Menselijk, al te menselijk’ duidelijk op een kruispunt: hij kijkt terug op wat was en draait zich in de richting van de weg die hij al lang meende te moeten inslaan—die van een vrij denkende en vrij sprekende filosoof. Nietzsche beschrijft dit in het nieuwe voorwoord bij de herdruk van 1886 als “deze wil tot vrije wil” die “een taaie wil tot gezondheid” is. Zoals eerder aangehaald heeft hij in de voorgaande jaren, na een jarenlange verering, reeds afscheid genomen van Wagner. In de eerder geciteerde brief aan Mathilde Maier (juli 1878) geeft hij aan dat de eerste schetsen voor ‘Menselijk, al te menselijk’ (“ongeveer een derde van het boek”) ontstonden nadat hij de eerste Bayreuther Festspiele van Wagner was ontvlucht. Na het schrijven van de eerste aanvulling op ‘Menselijk, al te menselijk’ (in het voorjaar van 1879), met als titel ‘Gemengde meningen en sententies’, zal hij zijn positie als professor klassieke filologie in Bazel achter zich laten (mei-juni 1879). Zoals uit zijn brieven duidelijk blijkt, worstelt hij met immer toenemende gezondheidsproblemen waarvan migraine en oog- en maagproblemen de ergste zijn. Vaak moet hij lange periodes het bed houden en beschikt hij maar enkele uren per dag over een voldoende zicht.

In de gedichtenreeks ‘Scherts, list en wraak’ beschreef hij dat kruispunt met verwijzingen naar verleden en toekomst ook:

Menselijk, al te menselijk (‘Menschliches, Allzumenschliches’)

Zwaarmoedig, schuw, met achterwaartse blik,
vertrouwend op de toekomst, op je ik.
O vogel, komt een adelaarsblik je toe?
Ben jij Minerva’s liefste, Oe-hoe-hoe?

Bij wijze van spreken (‘Das Sprüchwort spricht.’)

Scherp en mild, grof en fijn,
vertrouwd en vreemd, bevlekt en rein,
voor wijs en dwaas ontmoetingsplein:
dat alles ben ik, wil ik zijn,
duif zowel als slang en zwijn!

Persoonlijk voel ik veel waardering voor wat Nietzsche niet wil zijn: een halfgod of (sektarisch) leider met een duidelijk afgelijnd, dogmatisch (filosofisch) systeem. Want daar hebben we er tenslotte al genoeg van, ook vandaag nog, van dergelijke aspirant-beroemdheden, nietwaar? In een brief van mei 1878 aan zijn vriend Heinrich Köselitz (oftewel componist Peter Gast) schrijft hij in antwoord op diens positieve ontvangst van ‘Menselijk, al te menselijk’: “Dat is het beste wat ik ervan mag verwachten—het opwekken van de productiviteit van anderen […]”.

Thematiek en tijdloosheid

Deel een van ‘Menselijk, al te menselijk’ is in negen duidelijke thema’s (“Hoofdstukken”) verdeeld, zijnde: ‘Van de eerste en laatste dingen’, ‘Over de geschiedenis van de morele gevoelens’, ‘Het godsdienstige leven’, ‘Uit de ziel van kunstenaars en schrijvers’, ‘Tekenen van hogere en lagere cultuur’, ‘De mens in de omgang’, ‘Vrouw en kind’, ‘Een blik op de staat’ en ‘De mens met zichzelf alleen’. Alhoewel de twee “Afdelingen” van deel twee geen expliciete onderverdeling kennen, werd ik er mij tijdens de lectuur van bewust dat exact dezelfde thema’s als in het eerste deel worden behandeld, in exact dezelfde volgorde. Ik besef dat het is ingegeven door mijn comfortabele, hedendaagse kijk op en ervaring met het uitgeefproces en mijn persoonlijke drang naar samenhang en focus in mijn schrijfwerk, maar ik vind het jammer dat deze onderverdeling niet staat aangegeven in het tweede deel. Er had wat mij betreft zelfs een integratie per thema/hoofdstuk kunnen gebeuren van de teksten van deel twee in deel een bij de heruitgave in 1886. Het gebrek aan enthousiasme voor zijn boeken bij zijn uitgever (of de wisselingen van uitgever) en Nietzsche’s gebrek aan financiële middelen zijn daar allicht niet vreemd aan, naast het gegeven dat hij op het moment van de heruitgave van ‘Menselijk, al te menselijk’ (1886) al enkele boeken verder stond in zijn oeuvre—voorbij de publicatie van ‘Voorbij goed en kwaad’ (op eigen kosten) en met de publicatie van ‘Aldus sprak Zarathoestra’ in het vooruitzicht. Verder is het natuurlijk zo dat al veel van zijn werk tot stand kwam doordat Nietzsche het dicteerde (vaak aan Peter Gast) en ook het nazicht en de correcties van de manuscripten moest doen met hulp van anderen (vaak diezelfde Peter Gast). Misschien was het ook gewoon een bewuste keuze om enkel de oorspronkelijke volgorde van de thema’s te volgen zonder de herhaalde, expliciete vermelding ervan. Met diezelfde hedendaagse schrijversblik wil ik ook nog toevoegen dat meer redactionele hulp wat mij betreft aangewezen was geweest bij de inhoud. Dit geldt heden ten dage ook nog bij veel van de non-fictiewerken die ik lees. Al te vaak ervoer ik de lectuur van ‘Menselijk, al te menselijk’ als het enigszins moeizaam waden door troebel water op zoek naar de meer gesofisticeerde of geniale ideeën, observaties en vondsten. In zijn latere werk springen die je namelijk als vliegende vissen uit een helder meer tegemoet en moet je helemaal niet hengelen of zoeken. Er zijn te veel aforismen en paragrafen die naar mijn mening geschrapt hadden kunnen worden, zodat het resulterende boek—alhoewel het nog steeds een uitgebreid werk zou geweest zijn—toch kernachtiger en veel, veel krachtiger was geweest.

Een andere kritische bedenking is dat heel wat teksten nog redelijk eigentijds zijn, dat wil zeggen geworteld zijn in de tijd waarin hij leefde. Een voorbeeld zijn de vele bedenkingen rond al wat op dat moment (halverwege de 19e eeuw dus) “Duits” is: maatschappij, religie, cultuur, politiek, schrijvers en literatuur, kunstenaars en kunst, mode, omgangsvormen. Veel van deze teksten lezen als mini- of micro-versies van de zijns inziens schrijnende gebreken aan (hogere) cultuur in Duitsland die hij in zijn eerste ‘oneigentijdse beschouwing’ (1873) in de persoon van de theoloog David Friedrich Straus reeds aan de kaak stelde. Zoals in die oneigentijdse beschouwing zet hij deze aspecten vaak af tegen een door hem geïdealiseerde Franse cultuur en de door hem verheerlijkte Renaissance. Alhoewel veel uitgebreider aangekaart is het dus geenszins een nieuwe stelling van Nietzsche in ‘Menselijk, al te menselijk’. In een brief van februari 1873 (aan Malwida von Meysenburg) omschrijft hij de Franse (en Griekse) taal reeds als “strenge cultuurtaal” en noemt het Duits al hun “enigszins barbaarse moedertaal”.

Ook zijn blik op de Middeleeuwen lijkt op het beeld dat werd gecreëerd tijdens de Renaissance, een periode die hij hoog acht, alhoewel hij de Middeleeuwen ook duidelijk verafschuwt vanwege de toenmalige bloei van de christelijkheid. Het onderwerp “Geschiedenis” behandelt hij in het algemeen sowieso in lijn met zijn tweede ‘oneigentijdse beschouwing’ (voorjaar 1874) getiteld ‘Over nut en nadeel van de geschiedenis voor het leven’. Daarin klaagt hij sterk aan wat we vandaag “historicisme” zouden noemen en het gegeven dat academische historici zich te gemakkelijk begraven in het verleden, zonder de wil of ambitie om de toekomst vorm te geven.

Of het verzachtend bedoeld is, betwijfel ik, maar naast de afrekeningen maakt Nietzsche ook duidelijk wie zijn ‘helden’ zijn, waarbij vooral Goethe en Schopenhauer (zie ook de derde ‘oneigentijdse beschouwing’ van 1874 getiteld ‘Schopenhauer als opvoeder’) in het oog springen, maar ook Kant, enkele componisten en oud-Griekse denkers en tragedieschrijvers. Het gebruik van de term “helden” is nog net op zijn plaats, meen ik, alhoewel Nietzsche in het geval van Goethe, Schopenhauer en Kant eerder hun houding en persoonlijkheid bewondert dan hun ideeën. Om niet te zeggen dat hij het sowieso niet met hen eens is. Want, alhoewel hij diens moed bewondert en hem daarom als zijn “opvoeder” blijft beschouwen, beschrijft Nietzsche bijvoorbeeld de ideeën van Schopenhauer toch vooral als een noodzakelijke laatste fase van het oude denken, met als belangrijkste verdienste de snellere invoering van de toekomstfilosofie waar Nietzsche voor staat. Verder is het ook heel duidelijk hoe ANTI-nationalistisch Nietzsche is (ondanks twee ongelukkig afgelopen pogingen om in het leger in te treden). Nietzsche was trouwens formeel een statenloos persoon na zijn vertrek uit Duitsland (en uitschrijving als Pruisisch onderdaan), omdat hij zich nooit formeel inschreef in Zwitserland na zijn benoeming op 13 februari 1869 tot buitengewoon hoogleraar in de klassieke filologie aan de universiteit en leraar Grieks (voor de hogere jaren) aan het gymnasium, beide in Bazel. Meermaals ook, zoals hij dat blijft doen in later werk, spreekt hij zich sterk uit TEGEN anti-semitisme. Meer nog, Nietzsche toont zich meermaals bewonderaar van de Joodse medemens.

Parels en zwijnerij

Ondanks mijn kritische bedenkingen bevat ‘Menselijk, al te menselijk’ toch behoorlijk wat parels, met de tijdloze en universele (en dus waarlijk “oneigentijdse”) kwaliteit die ik me van Nietzsche herinnerde uit mijn eerdere lectuur. Er worden heel wat waarden (en zogenaamde “deugden”) omgekeerd en de (vooral christelijke en religieuze) moraal en “zedelijkheid” worden niet enkel onderzocht op oorsprong en genealogie, maar worden binnenstebuiten gedraaid, op hun kop gezet en teruggebracht tot dit aardse leven, ons menselijke, al te menselijke bestaan, wat toch allesbehalve vanzelfsprekend was in zijn tijdperk. Nietzsche haalt daarbij–quasi achteloos–specifieke bijbeluitdrukkingen onderuit en kent ze desnoods een alternatieve betekenis toe. Nietzsche verkiest de wetenschappen en een wetenschappelijke benadering boven metafysische verklaringen van religieuze oorsprong en beschouwt kennis en waarheid (in al hun mogelijke gradaties) als alternatief voor de moraal, die hij herhaaldelijk beschrijft als een instrument voor maatschappelijk conformisme.

Globaal zie je in dit eerste boekwerk van Nietzsche nog veel van zijn andere, latere thema’s opduiken, zoals dat trouwens in zijn eerdere publicaties—alhoewel nog meer embryonaal—ook al het geval was. Zeker de conversatie tussen “de reiziger en zijn schaduw” (de tweede afdeling van het tweede deel, najaar 1879) is wat mij betreft een—weliswaar heel verre, maar toch—voorafspiegeling van een Zarathoestriaanse conversatie, zoals de “adelaar” in het vermelde gedicht ‘Menselijk, al te menselijk’ uit de gedichtenreeks ‘Scherts, list en wraak’ ook al naar Zarathoestra verwijst (het is diens lievelingsdier). In het Duits is de titel van deze tweede afdeling “Der Wanderer und sein Schatten”. “Wanderer” ervaar ik als mooier en krachtiger dan elke mogelijke Nederlandse vertaling, of het nu “reiziger”, “wandelaar”, “zwerver”, “zwervende”, of—wie weet—iets als “doler” of “dolende” is. Mijns inziens was dit ook gedeeltelijk de inspiratiebron voor Nassim Nicholas Taleb, vooral bekend van het boek “De zwarte zwaan” en mateloos bewonderaar van Nietzsche, om “flaneur” te worden en zich ook zo te noemen. “Der Wanderer” was ook de bijnaam van Goethe als student en het zal een belangrijke metafoor blijven in het werk van Nietzsche voor de vrije geest. Van de “übermensch” is er voorlopig nog geen sprake, alhoewel de basisideeën over de nood aan zelf-overwinning toch al sterk opborrelen in ‘Menselijk, al te menselijk’ (en voorgaande schrijfsels trouwens).

Consequent bouwt Nietzsche gestaag verder op zijn voorkeur voor het (verwaarloosde) Dionysische aspect van het leven, dat hij uitvoerig beschreef in ‘De geboorte van de tragedie’ en andere vroege geschriften, en verwerpt alles consequent dat dit levensaspect…verwerpt. Datzelfde zie je trouwens ook in de gedichten van deze periode en voorgaande. Wat me daarbij in positieve zin ook opviel in ‘Menselijk, al te menselijk’ was de sterk psychologische invalshoek bij Nietzsche’s zoektocht naar wat de mens zegt, denkt en doet, en waar dit in kan geworteld zijn. Ik kan me voorstellen dat er hier toch sprake kan zijn van invloed uit de uitwisseling van intellectuele ideeën met zijn vriend Paul Rée. Rée had in 1875 zijn werk ‘Psychologische Beobachtungen’ gepubliceerd, als een verzameling essays en maximes (!)—weliswaar anoniem, maar daar was Nietzsche niet in getrapt zoals blijkt uit zijn brief van oktober 1875. Paul Rée toonde zich zeer enthousiast over ‘Menselijk, al te menselijk’ en bleef een levenslange naaste vriend en sparring partner van Nietzsche.

In een aantal teksten van ‘Menselijk, al te menselijk’ toont Nietzsche zich op het eerste zicht een wat wereldvreemd figuur niet gespeend van enige traditionele vooroordelen. Ik meen dat je daarin ook zijn idealisering van de klassieke Griekse maatschappij ziet en de hergeboorte ervan–de Renaissance. Dat verdwijnt echter gedeeltelijk naar de achtergrond als je zijn meningen en opinies expliciet aftoetst aan zijn “wil tot de vrije wil” en het onvoorwaardelijk streven om Freigeist te zijn, naast andere aspecten. Zeker wat betreft het thema “vrouw” durf ik te stellen dat Nietzsche ook het kind van zijn opvoeding is gebleven en de gevangene is gebleven van de mores van zijn tijd. Hij was op 15 oktober 1844 de eerstgeborene van Franziska Oehler, die twee jaar eerder als 17-jarige was gehuwd met de op dat moment 30-jarige dominee Carl Ludwig Nietzsche. De vader van zijn vader was ook dominee geweest, zoals ook de vader van zijn moeder dat was geweest. Na de dood van zijn vader in juli 1849, nog geen vijf jaar na de geboorte van Nietzsche, en de dood een half jaar later van zijn op dat moment 2-jarig broertje Ludwig Joseph gaat hij met zijn moeder en zijn twee jaar jongere zus Elisabeth in donkere omstandigheden—letterlijk en figuurlijk—inwonen bij de moeder van zijn vader en een oud-tante. Zijn moeder bekijkt dit alles als beproevingen opgelegd door god.

In de jaren voorafgaand aan zijn zwerversbestaan (dat begon in 1879) heeft zijn zus, die haar broer met de nodige ups en downs in hun verhouding uiteindelijk toch bewonderde en zelfs verafgoodde, gedurende een periode van drie jaar zijn huishouden bestierd. Ik vond persoonlijk de vele brieven uit die periode (1874-1879) van Nietzsche aan zijn vriend Carl von Gersdorff, als observatie en in antwoord op diens jarenlange amechtige pogingen om een huwelijk aan te gaan, erg inzichtelijk om een aantal stellingen en gebeurtenissen die ik als zeer wereldvreemd beschouw toch te kunnen plaatsen (in de maatschappij van die dagen). Denk daarbij aan “huwelijkskandidaten” op de “huwelijksmarkt” (die desnoods “geschaakt” worden) in het kader van functionele en/of gearrangeerde huwelijken, niet zelden gedreven door financiële motieven (regelmatig te begrijpen als: schulden).

Uit het gedicht ‘Er doolt een zwerver door de nacht’ dat Nietzsche aan zijn vriend en collega-filoloog Erwin Rohde schreef ter gelegenheid van diens huwelijk, verstuurd in een brief van 17 juli 1876, zouden we kunnen afleiden dat Nietzsche de romantiek (ook in bredere zin) en het huwelijk als niet compatibel beschouwde met zijn “wil tot vrije wil”. En daarmee kondigt hij in zekere zin dus ook het verlies van zijn vriend aan voor het vrije-geestschap en hun daarom noodzakelijke verwijdering (Nietzsche heeft nooit kennis gemaakt met de echtgenote of de latere kinderen van zijn voormalige vriend).

Het middenstuk van het gedicht luidt:

Er doolt een zwerver door de nacht (‘Es geht ein Wandrer durch die Nacht’)

[…]
Er zingt een vogel door de nacht!
— ‘Ach, vogel, wat heb je gedaan?
Waarom blokkeer je zin en voet,
en zingt zo hartverscheurend zoet
dat ik ervan moet blijven staan
en luisteren moet
en duiden moet jouw toon en groet?’
[…]
“Tot ziens, jij arme wandelaar!”

In de herwerkte versie die Nietzsche twaalf jaar later van dit gedicht maakt met als titel ‘De zwervende’ (‘Der Wandrer’) wordt onder andere “Waarom blokkeer je zin en voet” veranderd in “Wat hinder je mijn hart en voet” en is de laatste zin “Leb wohl, du arme Wandersmann!” (vertaald als “Tot ziens, jij arme wandelaar!”) vervangen door een zwijgzame overweging van de “brave vogel” over het effect van zijn gezang—nu verduidelijkt als een lokzang voor een “wijfje” (“Weibchen”)—op “Die arme, arme wandelaar” (“Der arme, arme Wandersmann”).

Desalniettemin weten we uit de brieven uit de 5-jarige periode voor zijn zwerversbestaan, dat een aanvang nam na zijn pensionering in juni 1879 en dus kort na afwerking van de eerste aanvulling op ‘Menselijk, al te menselijk’, dat Nietzsche enigszins hartstochtelijk “binnen niet al te lange tijd een goede vrouw [zou] willen vinden”. Hierbij werd hij bijgestaan en aangemoedigd door Malwida von Meysenburg die zich als een koppelaarster voor hem opstelde en de mening was toegedaan dat Nietzsche’s toekomstige vooral ook rijk moest zijn. De vriendschap tussen Von Meysenburg en Nietzsche ontstond toen ze beide tot de kring van Wagner-volgelingen behoorden, maar overleefde enigszins verrassend de verwijdering tussen Nietzsche en het echtpaar Wagner. Zo deed hij schriftelijk een onverwacht huwelijksaanzoek aan Mathilde Trampedach in april 1876 en verklaarde omzwachteld–eveneens schriftelijk–zijn liefde aan Louise Ott in september van datzelfde jaar. Nadat deze laatste zijn liefdesverklaring negeerde en hun relatie beperkte tot een “trouwe en gezonde vriendschap” uitte een ronduit onderdanige Nietzsche ook zijn twijfels rond zijn beoogde toekomst: “Misschien wil ik zelfs meer vrije geest zijn dan ik kan zijn!” Nochtans ging Nietzsche in 1882 toch nog door een bepaald passionele periode na de kennismaking met de Duits-Russische Lou Salomé, via de eerder vermelde koppelaarspraktijken van Malwida von Meysenburg. Nietsche deed haar twee huwelijksaanzoeken. Zijn grootste concurrent was zijn goede vriend, Paul Rée. Beide vrienden werden door Salomé afgewezen. Niet alleen is dit allicht de meest bekende liefdespoging van Nietzsche, maar het leidde ook tot wat allicht de meest bekende foto van Nietzsche is (met Salomé en Rée).

Uiteindelijk is de vaststelling dat zelfs Nietzsche niet in elk aspect van mens, leven en maatschappij zijn tijd vooruit was.

Daar tegenover staan enkele ronduit visionaire voorspellingen in ‘Menselijk, al te menselijk’—in de wetenschap dat deze teksten in de maatschappij anno 1870 (en volgende jaren) werden geschreven. Mij sprongen daarbij in het oog Nietzsche’s beschrijving van het (toekomstig) verloop van een democratisch staatsbestel, de verwachte opkomst van een “middenklasse” als gevolg van het verspreidende socialisme en de verwachting van de toekomstige nood aan een “Europese Volkenbond”—waar, als ik me niet vergis—ook Kant al ideeën over geformuleerd had. In zijn vooruitstrevende gedachten omtrent een rechtvaardiger beoordeling van misdaden door het gerechtelijk apparaat en daaraan gerelateerde onderwerpen als “straf” en “boete” lijkt me opnieuw sprake van een vruchtbare uitwisseling van ideeën met Paul Rée. In een brief van april 1879 reageerde Nietzsche trouwens enthousiast op de afwerking van het boek van Paul Rée over de geschiedenis van de straf. Dat boek werd trouwens uiteindelijk pas in 1885 gepubliceerd als ‘Het ontstaan van het geweten’.

Mooi vind ik dat Nietzsche niet aarzelde om zichzelf tegen te spreken en ambiguïteit omarmde als een essentieel gegeven van ons aardse leven. Ook dat is menselijk, al te menselijk. Het is ook amusant om vast te stellen dat Nietzsche veel van zijn eigen richtlijnen en adviezen geformuleerd in ‘Menselijk, al te menselijk’ vooral niet naleefde.

Misschien is het door mijn eigen hoop en droom als onafhankelijk Scrum Caretaker (“Humanizing the workplace with Scrum“), maar ik hield heel erg van een aantal bespiegelingen van Nietzsche in ‘Menselijk, al te menselijk’ over de impact van de opkomst van de industrialisatie op mens en op geleverde kwaliteit. Sommigen kunnen naar mijn mening quasi letterlijk naar vandaag (en hedendaagse innovaties van technische of technologische aard) vertaald worden.

Ik geef als voorbeeld aforisme 220 van de tweede afdeling (‘De reiziger en zijn schaduw’) van het ‘Tweede deel’ uit ‘Menselijk, al te menselijk’:

Reactie op de machinecultuur. – De machine, zelf een product van de beste denkkracht, activeert bij de personen die haar bedienen bijna alleen de lagere, dommere krachten. Zij maakt daarbij een geweldige massa energie vrij die anders zou blijven sluimeren, dat is waar; maar zij geeft niet de stimulans om hoger te stijgen, het beter te doen, een kunstenaar te worden. Zij maakt werkzaam en uniform,—dat veroorzaakt op den duur een reactie, een wanhopige verveling van de ziel, die door de machine naar een ledigheid vol afwisseling leert smachten.

(Tip! Vervang heden ten dage in bovenstaande citaat “de machine” door “AI” en lees het opnieuw).

Tenslotte, in het gedicht dat de titel draagt van de tweede afdeling van het tweede deel van ‘Menselijk, al te menselijk’, namelijk ‘De wandelaar en zijn schaduw’ (lees “wandelaar” als “reiziger”) verwerkt Nietzsche de titel van het boek dat volgde op ‘Menselijk, al te menselijk’:

‘De wandelaar en zijn schaduw’ Een boek (‘ “Der Wanderer und sein Schatten.” Een Buch’)

[…]
Vijf voetbreed aarde, morgenrood;
onder mij—wereld, mens en dood!

Hij omschreef dat boek, ‘Morgenrood’ (1881), als het begin van zijn “veldtocht tegen de moraal” en het is het volgende werk van Nietzsche op mijn leeslijst.

Uiteindelijk is het fascinerend om voor mezelf vast te stellen dat het soms het goed is om je tijd te nemen, in dit geval om 25 jaar te wachten vooraleer deze leesonderneming aan te vatten. Ik heb persoonlijk het gevoel dat ik enerzijds het werk van Nietzsche met meer diepgang lees en ervaar, maar het anderzijds ook op een meer kritische manier kan (en durf) evalueren. Beide–ervaren en evalueren–zijn in mijn geval natuurlijk enkel mogelijk gebleken door effectieve levenservaring, terwijl Nietzsche veel meer een beroep kon doen op zijn immense geestelijke verbeeldingskracht. Zelf moet ik me rekenen tot de onnozele zoekers, zoekend naar de graal van de humaniteit.

Warme groet
Gunther
uw onafhankelijke Scrum Caretaker


Bibliografie

1 ‘Voorbij goed en kwaad (Voorspel van een filosofie van de toekomst)’, Vertaling Thomas Graftdijk, De Arbeiderspers, November 1993
2 ‘De vrolijke wetenschap’, Vertaling Pé Hawinkels, De Arbeiderspers, 1994
3 ‘Ecce homo (Hoe iemand wordt, wat hij is)’, Vertaling Pé Hawinkels, De Arbeiderspers (Privé-domein nr. 13), december 1993
4 ‘De geboorte van de tragedie (of Griekse cultuur en pessimisme’), Vertaling Kees Vuyk, International Theatre Bookshop, 1987
5 ‘Nietzsche contra Wagner’, Vertaling Hans Driessen, De Arbeiderspers (Privé-domein nr. 194), 1994
6 ‘Aldus sprak Zarathoestra (Een boek voor allen en voor niemand)’, Vertaling P. Endt en H. Marsman, Wereldbibliotheek, 1985
7 ‘Het dionysische wereldbeeld (en Filosofie in het tragische tijdperk van de Grieken)’, Vertaling Maarten Van Buuren, Boom, april 2024
8 ‘Waarheid en leugen’, Vertaling Tine Ausma, Boom, 2016
9 ‘De geboorte van de tragedie (of Griekse cultuur en pessimisme)’, Vertaling Hans Driessen, De Arbeiderspers, 2000
10 ‘Oneigentijdse beschouwingen’, Vertaling Thomas Graftdijk; herzien door Paul Beers, De Arbeiderspers, november 1998
11 ‘Dat alles ben ik’, Vertaling Ard Posthuma, Historische Uitgeverij, maart 2023
12 ‘Menselijk, al te menselijk’, Vertaling Thomas Graftdijk; herzien, geannoteerd en van een nawoord voorzien door Hans Driessen, De Arbeiderspers, november 2000
13 ‘Afgemat als een eendagsvlieg bij avond (Een selectie uit de brieven, 1858-1879)’, Vertaling Hans Driessen, De Arbeiderspers (Privé-domein nr. 228), 1998

Leave a Reply