Ik beweer niet dat V dè “Grote Belgische Roman” schreef, maar uitermate vermakelijk, enkele malen dolkomisch en hier en daar oprecht aangrijpend is het wel. De inherent onthechte stijl mèt zijn kenmerkende overdramatisme maken het zoooo lekker. Prettig storend. Schelmenroman(s). Post-puberale generatie blowt, spuit en sekst hun leven richting nihilisme. Opperst dolle hilariek staat me nog steeds voor bij het batterijkonijn (deel 2, ‘Behekst’) en de buis in de plasbuis.
Dit werkje, deel 4, lieve lezertjes, biedt (nog) meer chaos, verhakkelde en bewust onafgewerkte structuren-zinnen-woorden, en (bovenal, vooral in de tweede helft) Aspe-achtige allures. Heet de ambitie “BESTE NIEUW-BELGISCHE , MAGISCH-REALISTISCHE GRIEZELNOVELLE”? Alleszins, hiermee eindigen, wat zijn gehele cyclus betreft, V’s persoonlijke memoires aangaande het moerasvolkje in de vervallen Steenbakkerij…
Ziezo, heb ik dat niet goed gezegd? Voel je je aangesproken? Begin toch maar bij het begin, zijnde deel 1, ofte De Geur Van Nat Haar voor de beste instap in deze nachtwereld. Bezoek na mij ook de existentiële wezens die zijn schrijfsels bewonen. De Vilvis, heer Olifant, Tammie de Panter (grote Liefde), Den Charles Maria Nelson, de Wallie.
